Het Kamp

HOME

 
     
 

Indeling leger | Legionairs | Belegeringstuigen | Tactieken

 
 

 

   
 

Vanaf het midden van de republikeinse periode tot in de late keizertijd pasten de Romeinse strijdkrachten verschillende belegeringstactieken en –technieken toe bij de bestorming van versterkte steden en hoogtenederzettingen. Er waren drie mogelijkheden voor de Romeinse belegeraars: ofwel gingen ze over de muur, door de muur of onder de muur. Hierbij werden diverse aanvalstuigen gebruikt en speciale manoeuvres uitgevoerd, zoals het inzetten van stormtorens, stormrammen en katapulten van zeer verscheiden omvang. Ook de Griekse en Hellenistische legers hadden reeds van dergelijke machines gebruik gemaakt en gaven hun kennis door aan Rome. De zwaarste tuigen werden ter plekke vervaardigd, omdat men die niet over grote afstanden kon meevoeren. Met behulp van deze machines konden de legioenen dikke stenen omwallingen doen afbrokkelen en zelfs doorboren, of stadspoorten inbeuken. In bepaalde gevallen werden de verdedigingsmuren van de tegenstrever ondermijnd of probeerde men door het graven van een tunnel de vijandelijke nederzetting binnen te dringen. Een veel voorkomende techniek was het opwerpen van een aarden talud om via deze ophoging de borstwering van de belegerde stadsmuren te kunnen bereiken met rollende stormtorens. In andere gevallen werden de verdedigingsgrachten opgevuld om makkelijker bij de wallen te komen.

Tijdens de belegeringsactiviteiten zochten de soldaten beschutting achter schermen uit rieten vlechtwerk (plutei) bedekt met huiden of achter houten schuttingen. Ook de schildpadformatie (testudo) kende veel bijval bij bestormingen. Hierbij vormde een kleine eenheid soldaten een beweegbaar blok aanvallers die zich aan alle zijden afschermden met hun schilden tegen lichte projectielen die vanop de vijandelijke stellingen op hen werden afgevuurd. De Romeinse belegeraars bouwden dikwijls overdekte en verplaatsbare houten galerijen (vinae) die met natte ongelooide huiden werden overdekt om te verhinderen dat ze in brand werden geschoten. Zowel de testudo als deze galerijen stelden de Romeinse soldaten in staat de belegerden te naderen zonder zelf al te veel gevaar te lopen geraakt te worden. Er bestonden zelfs hijskranen waarmee kleine groepjes soldaten opgehesen konden worden en op de muren van de belegerde stad gezet konden worden. Lukte al deze aanvalstechnieken niet, dan kon men nog trachten gebruik te maken van een list, waarbij enkele soldaten probeerden op een of andere manier de stad binnen te dringen en de poorten te openen voor de belegeraars.

Toch probeerden de Romeinse bevelhebbers meestal eerst hun tegenstanders uit te hongeren door een blokkade of een volledige omsingeling tot stand te brengen, waardoor de vijand in principe helemaal van de buitenwereld werd afgesloten en zich dus niet langer kon bevoorraden. Naast een kilometerlange omsingelingsgracht en –wal met houten of rieten borstwering legden de legionairs eveneens valkuilen aan met op de bodem aangepunte houten staken (lilia), plaatsten ze korte paaltjes in de grond waarin bovenaan ijzeren pennen met weerhaken werden geslagen (cippi), en strooiden ze kraaienpoten rond de belegerde stellingen om te verhinderen dat de tegenstander door de blokkade zou breken. Ook toegangen tot militaire havens werden door ijzeren kettingen of een serie aan elkaar gebonden schepen geblokkeerd. Een van de meest besproken en best gekende omsingelingen uit de Romeinse tijd was die door Caesar bij de belegering van Alesia in 52 v.C., waar de troepen van de Gallische leider Vercingetorix zich vergeefs hadden verschanst.

Naast de persoonlijke uitrusting van de legioensoldaten en de bijbehorende bagage (tenten, maalstenen, gereedschap) beschikte elke centurie over het algemeen ook nog over een of meer werptuigen (tormenta), die eventueel op karren in de tros konden worden meegevoerd. Catapultae waren in feite grote kruisbogen die houten pijlen met ijzeren punten of vuurpijlen afvuurden. Met ballistae schoot men stenen kogels af van verschillend kaliber, gaande van ca. 100 gram tot maar liefst 75 kg! De kleinste werptuigen konden door één man gedragen en bediend worden, maar de meeste waren iets groter (scorpiones) en werden door twee of drie ballistarii operationeel gemaakt. Zij hadden een doeltreffende reikwijdte van ongeveer 50 tot 100 meter. De zwaarste katapulten reikten meer dan 300 meter ver en moesten door een zestal personen bediend worden. Naargelang de omstandigheden en het doel van de operatie waren er meer of minder werptuigen in een legioen aanwezig. Eventueel kon men de verschillende onderdelen van de benodigde katapulten ter plaatse vervaardigen en in elkaar steken. Ook bij een reguliere veldslag werden catapultae en ballistae tegen vijandelijke cavalerie en infanterie ingezet, bijvoorbeeld bij de confrontatie met de Skytische Alanen in 134 n.C. onder leiding van de Romeinse provinciegouverneur van Cappadocië, Flavius Arrianus. De katapulten werden hier op beide flanken van de Romeinse linies op hoger gelegen terrein opgesteld, zodat zij het vuur konden openen vanop grote afstand. Ook achter de Romeinse rangen werden werptuigen geplaatst, die dan over de eigen manschappen heen op de aanstormende vijand konden schieten. De zwaarste types katapulten werden vermoedelijk statisch opgesteld, maar het grootste deel van de machines bestond uit kleinere tot middelgrote werptuigen die meer mobiel waren.

 

naar boven