De
Tempel |
||||
|
Tempelgebouw | Priesterschappen | Publieke religie | Private religie | Ceremoniën | Kledij | Fasti |
||||
|
Bidden en gebeden |
||||
|
Elk ritueel werd door een gebed begeleid. De openbare Romeinse gebeden werden gehouden in stilte en in concentratie. Indien er gestoord werd, moest het ritueel opnieuw gebeuren. Dit alles om de vrede met de goden te bewaren. Om deze reden speelde men muziek, zodat het achtergrondgeluid niet te horen was. Men had ook liederen als gezongen gebeden en hymnen voor tijdens processies. Niemand was verplicht om deel te nemen aan het offeren of aan de publieke rituelen. Bidden deed men rechtstaand. De handen waren gericht naar de godheid. Men hield de handpalmen naar de hemel, het beeld of het altaar gericht. De gebeden werden hardop gesproken. Op het einde maakte men een draaiing naar rechts. |
||||
|
|
||||
|
Offers |
|
|||
|
Er waren twee soorten van offers: bloedige en niet-bloedige. Bij de niet-bloedige offers werden wierrook, bloemen, koeken of dranken aangeboden, uitgegoten of verbrand. Bij de bloedige ging het om het doden van één of meerdere offerdieren op het altaar. Hier onder volgen enkele belangrijke ceremoniën. Lustraties De belangrijkste ceremonie van de lustraties is het rondvoeren van de offerdieren rond het volk. Deze ceremonie kwam voor tijdens het Amburbium dat gehouden werd in het begin van februari en de Ambarvalia, gevierd in mei. Tijdens het Lustrum dat iedere vijf jaar plaatsvond, werd het volk door de census opnieuw samengesteld. Deze gebeurtenis vond plaats op het Marsveld. Het Lustrum diende om het volk te reinigen, terwijl het Amburbium diende voor de stad en de Ambarvalia voor de velden. Bij het Lustrum werd er op het einde met een varken, een schaap en een stier (suovetaurilia) driemaal rond het als exercitus opgestelde Romeinse volk gelopen en werden de dieren aan Mars geofferd als dank voor zijn bescherming de afgelopen vijf jaar. Daarnaast werd hem een ander suovetaurilia beloofd als hij ook de volgende vijf jaar het Romeinse volk genadig was. Dit offer werd gehouden op het ara Martis in campo, het altaar toegeschreven aan Numa Pompilius. De offerdieren waren nog jonge dieren maar mochten niet als lam of kalf genoemd worden. Ook de naam van Mars mocht tijdens de suovetaurilia niet uitgesproken worden. Cato (234-149 v.C.) beschreef de lustratie van landbouwgrond met een suovetaurilia en een gebed aan Mars, waarvan hieronder een deel: Mars pater, te precor quaesoque, uti sies volens propitius mihi domo familiaeque nostrae; quoius rei ergo, agrum terram fundumque meum suovitaurilia, circumagi iussi; uti tu morbos visos invisosque, viduertatem vastitudinemque, calamitates intemperiasque prohibessis defendas averruncesque; utique tu fruges, frumenta, vineta virgultaque grandire beneque evenire siris; pastores pecuaque salva servassis duisque bonam salutem valetudinemque mihi domo familiaeque nostrae.[1] ‘Vader Mars, ik bid en vraag u, dat gij welwillend en goedgunstig zijt jegens mij, mijn huis en ons personeel; omwille waarvan ik heb bevolen mijn akker, grond en landgoed rond te gaan met een zwijn-schaap-stierenoffer; opdat gij zichtbare en onzichtbare ziekten, verweesdheid en verwoesting, rampspoed en noodweer tegenhoudt, verhoedt en afweert; en opdat gij gewassen, granen, wijngaarden en stekkelingen laat gedijen en goed uitlopen; herders en kudden behouden bewaart, en goede redding en gezondheid schenkt aan mij, mijn huis en ons personeel.’ [2] [1] Cato's de Agricultura, CXLI 2 [2] Cato, Goed boeren; vertaald en toegelicht door Vincent Hunink, Amsterdam 1996
|
||||
|
De Saliërs en het oktoberpaard Tijdens de feesten in maart en oktober voerden de Saliërs hun wapendansen uit waarbij ze het opnemen van de wapens (ancilia movere) en het neerleggen van de wapens (ancilia condere) voorstelden. In het midden van de maand werd dan bij de ara Martis in campo paardenrennen gehouden. Op 14 maart waren er de Equirria en op 15 oktober was er de viering van het oktoberpaard. Het oktoberpaard diende als dankoffer voor de goede veldtochten en als boetedoening voor het vergoten bloed. De Flamen Martialis offerde het dier aan de god. Zowel de Griekse historicus Timaios (begin 3e eeuw v. Chr.) als de Romeinse Pontifex Maximus Caesar (46 v. Chr.) vermeldden dat bij het doden van het Oktoberpaard, de Romeinen wraak namen op de list van het Trojaanse paard.
Lectisternium Het lectisternium werd in de vierde eeuw voor Christus een middel om crisis af te wenden. Het was een Grieks ritueel waarbij er een aantal goden – de twaalf hoofdgoden – deel namen aan een banket. De goden werden voorgesteld als stropoppen of zelfs door kransen. Het bekendste lectisternium is datgene dat in 217 v. Chr. gehouden werd na de nederlaag van de slag bij Trasimene tegen Hannibal. Volgens de Sibyllijnse Boeken was de belofte aan Mars niet goed nagekomen en moest men deze herhalen en uitvoeriger houden. Men hield naast een lectisternium ook een supplicationem. Dit laatste was een groot bid- en dankfeest waar iedereen aan deelnam. Voor het lectisternium in 217 v. Chr. waren de twaalf hoofdgoden uitgenodigd die in zes paren werden onderverdeeld: Iupiter en Iuno, Neptunus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diana, Volcanus en Vesta en Mercurius en Ceres. Uit de samenstelling van de goden blijkt duidelijk de Griekse invloed die tijdens de tweede Punische Oorlog Rome binnendringt.
Triomftochten Iedere zegevierende generaal hield bij zijn terugkomst een triomftocht. Het leger overnachtte op het Marsveld en de dag erna trokken ze langs de triomfweg naar de tempel van Iupiter op de Capitolinus. De marcherende soldaten werden gevolgd door de veldheer die op een triomfwagen stond dat getrokken werd door vier paarden. Hij ging gekleed als Iupiter en zijn gezicht was rood geverfd zoals het beeld van de god. Achter hem stond een slaaf die een gouden krans boven zijn hoofd hield en steeds fluisterde: “Vergeet niet dat u een mens bent.” Als hoogtepunt van de processie, beklom de veldheer de Capitolinus, legde zijn lauwerkrans op de schoot van Iupiter Optimus Maximus en slachtte runderen voor de godheid. Wanneer een Romeinse veldheer de spolia opima (‘vette buit’ of de wapenrusting van de vijandige veldheer) veroverd had, schonk hij het aan Iupiter Feretrius en werden ze de prima spolia genoemd. Indien dit gebeurde door een officier zonder zelfstandig commando, werden ze aan Mars geschonken en secunda spolia genoemd. Bij de verovering door een gewone soldaat, werden de tertia spolia aan Quirinus gewijd. |
||||