Legio XI CPF |
||||
|
Wie zijn we | Wat doen we | Geschiedenis | Kalender | Foto's | Recruten | Contact | Links |
||||
|
GESCHIEDENIS VAN HET LEGIO XI “Claudia Pia Fidelis” |
||||
|
1 – Periode van Iulius Caesar Het legio XI werd gelicht door Iulius Caesar in 58 v.C., samen met het legio XII, om campagne te voeren in Gallië die begonnen was met de oorlog tegen de Helvetii – onder leiding van Orgetorix – in datzelfde jaar. Zoals vermeld in De Bello Gallico vocht het legio XI ook tegen de Nervii in het daaropvolgende jaar. In 52 v.C., nam het elfde legioen hoogstwaarschijnlijk deel aan het beleg van Avaricum (hedendaags Bourges) en van Alesia, waar Caesar genoodzaakt was om zich te meten met zowel tachtigduizend Galliërs van de stam van de Averni – de belegerden in de stad en geleid door Vercingetorix – alsook met andere Gallische stammen die van buitenaf de Romeinse versterkingen aanvielen. |
||||
|
Na zijn terugkeer uit Gallië, tijdens de burgeroorlog tegen Pompeius, vocht het legio XI samen met Caesar in de slag bij Dyrrhachium (Macedonië) – die de grote veldheer verloor – in 48 v.C. en daarna in de zegevierende laatste slag bij Pharsalus (Tessalië), waar Pompeius definitief werd verslagen. Het legioen werd ontbonden in 45 v.C. en zijn veteranen werden beloond met giften van grond te Bovianum (hedendaags Boiano in Campanië), waardoor het legioen ookwel Bovianum Undecimorum werd genoemd.
|
|
|||
|
2 – Periode van Octavianus Augustus Het legio XI werd opnieuw opgericht in 42 v.C. door Octavianus Augustus, de toekomstige eerste keizer van Rome en achterneef van Caesar, om te vechten in de oorlog tegen Brutus en Cassius, de moordenaars van zijn grootoom. Zo nam het legio XI deel aan de slag bij Philippi, in Macedonië, waar Octavianus de definitieve overwinning behaalde. Daarna onderdrukten ze een opstand in Perugia, waar voor de eerste keer de twee belangrijkste triumviri, Octavianus en Marcus Antonius, tegenover elkaar stonden. Volgens talrijke bronnen werd het elfde legioen ook gebruikt in de campagne geleid door Octavianus in 38 v.C. tegen de laatste volgelingen van Pompeius. Dezen werden geleid door zijn zoon Sextus Pompeius, die met hun vloot Sicilië bezetten, en de bevoorrading van Rome in gevaar brachten. Sextus Pompeius werd verslagen door de schoonzoon van Octavianus, de grote general Marcus Vipsanius Agrippa in 36 v.C. in de zeeslag te Mylae (hedendaags Milazzo) en Naulochus (een plaats nabij Milazzo). In 31 v.C. waren Octavianus en Marcus Antonius reeds in een open conflict en het legio XI vocht aan de zijde van de eerste, zich onderscheidend voor hun moed en heldhaft in de slag bij Actium (Griekenland), waar Octavianus zijn rivalen Marcus Antonius en Cleopatra voorgoed had verslagen. |
||||
![]() |
Het XIe legioen werd daarna naar de Balkan gestuurd, waar het gestationeerd werd voor bijna een eeuw. Na de ramp van de slag in het Teutoburgerwoud in Germanië, vlakbij de Rijn, dat het verlies van drie legioenen (XVII, XVIII en XIX) kostte – één van de meeste ervaren (september van 9 n.C.) – werd het legio XI gestationeerd te Burnum, in Dalmatië (het moderne Kistanje in Kroatië), samen met het VIIe legio. De legionairs van het XIe hadden het druk op deze broeierige grens waar steeds opstanden uitbraken. Het elfde legioen was op verschillende plaatsen actief, zowel in de provincie als in de hoofdstad, Spalatum (het moderne Split). Een aparte groep, bestaande uit waarschijnlijk enkele cohorten, bezetten Gardun, een plaats in Dalmatië ten oosten van Salone. |
|||
| De activiteiten bestonden niet enkel uit militaire controle van het gebied maar ook uit het aanleggen van nieuwe communicatiewegen, fundamenteel om de legioenen snel te verplaatsen en laten in te grijpen, waardoor ook de handel erop vooruitging. | ||||
|
3 – “Claudia Pia Fidelis” – Periode van Claudius In 42 n.C., terwijl het legio XI zich nog altijd in Burnum bevond, rebelleerde de gouverneur van Dalmatië, Lucius Arruntius Camillus Scribonianus tegen keizer Claudius (41 – 54), opvolger van Augustus (27 a.C. – 14 d.C.) Tiberius (14 – 37) en Caligula (37 – 41). De legioenen VII en XI blijven trouw aan keizer Claudius en brachten de opstand van scribonianus tot een einde. Claudius beloonde de twee legioenen met de titel – dat voor altijd zal blijven – Claudia Pia Fidelis, of te wel loyaal en trouw aan Claudius.
|
|
|||
|
4 – Periode van de 4 Keizers In 58 n.C., tijdens de heerschappij van Nero (54 – 68) verlaat het VIIe legio Claudia Burnum en werd het verspreid langs de Donau, terwijl zijn tweeling, het XIe Claudia in Dalmatië bleef; er is documentatie uit de periode van Nero’s zelfmoord en men kent ook de naam van zijn commandant in deze jaren, legaat A. Ducenius Geminius. De dood van deze keizer luidde het einde in van de Iulisch-Claudische dynastie en het begin van een nieuwe fase van interne conflicten, in de jaren 68 – 69, dat 4 pretendenten voorbracht die zich de macht over Rome wilden toeëigenen, met name: Galba, Otho, Vitellius en Titus Flavius Vespasianus. Na de dood van Nero verklaarde de Senaat Galba als nieuwe keizer, een oude consul die erg machtig en rijk was. Maar zijn benoeming werd in twijfel getrokken door de gouverneur van Germania Inferior, door Vitellius die in opstand kwam en door een rijke senator Otho, die zich op zijn beurt tot keizer liet uitroepen. Galba werd door zijn eigen soldaten op het Forum in elkaar geslagen, waardoor de legioenen moesten kiezen tussen de twee pretendenten die waren overgebleven. De legioenen XI Claudia PF, VII Claudia PF en XIV Gemina kozen de zijde van Otho. Het XIe werd daarom naar Cremona gestuurd om te vechten tegen Vitellius, maar het kwam er niet op tijd aan voor het gevecht waardoor het legioen het einde van de slag miste en zijn bijdrage niet kon leveren. De winnaar van de veldslag, Vitellius, wordt de nieuwe keizer en koos ervoor om de legioenen die tegen hem vochten niet te straffen. Hij beperkte zich tot het terugsturen van het XIe Claudia PF naar Dalmatië. |
||||
![]() |
Wanneer in datzelfde jaar (1 juli 69 n.C.), de commandant van de Oostelijke legioenen (Dalmatië, Illyrië, Judea, Pannonia en Moesia), Vespasianus tot keizer werd uitgeroepen in Caesarea door zijn soldaten, aanvaardde het legio XI Claudia – dat zich nog in dat gebied bevond – de proclamatie van Vespasianus en schaarde zich aan zijn zijde. Ze vochten moedig in de slag bij Bedriacum en in het tweede beleg van Cremona, dat het einde betekende voor de interne conflicten en de overwinning voor Vespasianus. Met deze gebeurtenis begon de periode van de keizers van de familie van de Flavii. |
|||
|
5 – Periode van de Flavii Het volgende jaar, in 70 n.C., nam het XIe legioen deel aan de expeditie van generaal Cerialis in het noorden van Gallië (tegenwoordig Nederland) om de Batavenopstand te onderdrukken die geleid werd door Iulius Civilis, een Bataafse edele die in het Romeinse leger was gekomen als prefect. Nadat het legioen deze taak moedig tot een goed einde hadden gebracht, werd het vlakbij het oude castrum van het legio XXI Rapax, nabij Vindonissa (het huidige Windisch in Zwitserland) in Germania Superior gestationeerd. In Dalmatië, werd het legio XI Claudia PF vervangen door het legio IV Flavia Felix. |
||||
|
Er bestaan veel archeologische bewijzen van de aanwezigheid van het legio XI te Windisch, zoals wegen, het amphitheater en de vondst van zijn ovens vlakbij Rupperswil. Deze bewijzen, zoals ook in Dalmatië, de enorme activiteiten van de legionairs van het XIe Claudia PF in het optrekken van bouwwerken (forten, wegen, bruggen en steden). Een voorbeeld met bewezen feiten is de constructie van de Duitse stad Baden-Baden.
|
|
|||
|
Het legio XI Claudia PF onderscheidde zich in deze periode te Vindonissa in de gevechten tegen de Germanen nabij de rechteroever van de Rijn (in 73, in 74 en in 83), een gebied dat erg instabiel was geworden na de nederlaag bij het Teutoburgerwoud. Het legioen nam ook deel aan de oorlog tegen de stam van de Chatti, dat uitgevochten werd onder Domitianus (81 – 96), de laatste keizer van de Flavische familie. Waarschijnlijk verbleef het elfde legioen tijdens een periode van relatieve vrede in Mainz, samen met de legioenen I Adiutrix en XIV Gemina. |
||||
|
6 – Tweede eeuw In 101 n.C. werd het legio XI verplaatst naar Brigetio, in Pannonia Inferior (hedendaags Hongarije), om deel te nemen aan de oorlog van Traianus in Dacia (101 – 106). |
||||
![]() |
In 114 werd het legioen nogmaals verplaatst naar Durostorum, in Moesia Inferior (hedendaags Bulgarije), waar het blijvend gestationeerd werd om de Donau grens te bewaken. Ze hadden de verantwoordelijk om samen met de legioenen I Italica en V Macedonica de bevriende Grieks-Romeinse kolonies in de Krim te beschermen. Van hier rekruteerde men mannen uit het naburige Thrakië en stelde men een eenheid samen dat een belangrijke rol speelde voor de Romeinse militaire politie in Asia Minor. Eenheden van het legio XI namen, samen met het legio V Macedonia, deel aan de bouw van het fort van Draschna in de vallei van Buzau in het zuidoosten van de Carpaten. |
|||
|
Tijdens de heerschappij van Hadrianus (117 – 138) werd een vexillatio (tactische eenheid van mobiele cavallerie) van het legio XI Claudia PF naar Judea gestuurd en onderdrukte de opstand van Simon bar Kochba (132 – 136). Wanneer de gouverneur van Pannonia Superior, Lucius Septimius Severus (193-211) – een generaal geboren te Leptis Magna en afstammend van de Gens Severa uit de ridderstand – werd uitgeroepen tot keizer in april 193, koos het legio XI Claudia PF zijn kant. Septimius Severus marcheerde op Rome af maar het XIe legioen nam niet deel aan de actie aangezien zijn basis te Durostorum veel te ver lag van Italië. Het legioen nam later wel deel aan de campagne van Severus tegen zijn rivaal Pescennius Niger (193-194), wanneer, samen met legio I Italica, het legio XI Byzantium belegerde, de Poorten van Cilicië (een doorgang door de bergketen van de Taurus in Turkije) overstak en Niger definitief versloeg in de veldslag bij Issus. Volgens verschillende bronnen volgde het legio XI keizer Septimius Severus ook in volgende conflicten tegen de grootmacht van de Parthen en veroverde hun hoofdstad Ctesifon in 198. |
||||
|
7 – Van de derde eeuw tot het einde van de Keizertijd Tijdens het conflict tussen keizer Gallienus (260 – 268) en zijn rivaal Postumus, die zich door zijn soldaten tot keizer heeft laten uitroepen en erin geslaagd was om Spanje, Gallië, Germanië en Britannië te onderwerpen, stond het legio XI aan de zijde van de eerstgenoemde en verdiende de titel Pia V Fidelis V (of te wel 5 keer loyaal en 5 keer trouw) en daarna Pia VI Fidelis VI. Dit laat vermoeden dat andere keizers, maar men weet niet dewelke, voordien aan het XIe legioen de titel van 2e, 3e en 4e keer loyaal en trouw gegeven hebben. |
|
|||
|
In 295 vochten mobiele eenheden van het legio XI onder keizer Diocletianus (284 – 305) in Egypte en drie jaar later werden andere eenheden naar Mauritanië gezonden met de medekeizer Maximianus (286-310). Aan het begin van de vijfde eeuw bevond het legio XI zich nog steeds in Durostorum, ter bescherming van de grens aan de Donau. Daarna zijn er geen bronnen meer. In de loop van de vijfde eeuw, met de val van het Keizerrijk, werd het Romeinse leger ontmanteld en zo ook het elfde legioen. Hoogstwaarschijnlijk zijn vele soldaten van dit legioen in het gebied van de Donau blijven wonen. |
||||