De Domus

HOME

 
     
 

Indeling huis | Kledij | Kapsels | Schmink | Juwelen | Handwerk | Winkel

 
       
 

Insula

     
 

De Romeinen kenden verschillende huistypen.  In de stad had men insulae, woonblokken die gevormd werden door het stratennet.  Deze insulae waren gebouwd uit beton (opus caementicium) en telden drie à vier verdiepingen.  Keizer Augustus bepaalde dat de insulae niet meer dan 7 verdiepingen mochten tellen.  In zo'n insula woonde de middenstand en iedere familie had slechts enkele kamertjes.  De appartementen werden verlicht door vensters die uitgaven op de straat en een binnenkoer.  Er was geen vaste schikking voor de vertrekken.  Aan de straatkant had men tabernae (winkels) met portieken.  De trappen naar de bovenverdieping gaven uit op de straat.  Op de eerste verdieping was er een lang balkon uit hout of beton.

Op het platteland had men de villa urbana.  Dit was het woonhuis van de landheer.  Daarnaast was er nog de villa rustica of de boerderij waar er gewoond en gewerkt werd.

 

 
       
 

Domus

     
 

De rijkeren konden zich een domus permitteren.  De grootte van de domus werd tevens bepaald door de urbanistische beperkingen.  In de tweede eeuw voor Christus voegde men aan het Etruskisch-Italische atrium-huis een peristylium toe.  De buitenmuren hadden amper vensters en het licht kwam binnen via twee binnenplaatsen. Kenmerkend voor de domus is de horizontale ontwikkeling en de interne verlichting in tegenstelling tot de verticale ontwikkeling van de insula.

In het begin van de Keizertijd kende de domus een vast schema.

 
 

Buitenkant domus

Het Romeinse huis of domus bestond uit twee delen, het atrium vooraan en het peristylium achteraan.  Voor het atrium lagen soms nog kleine winkels (tabernae), met de ingang van het huis in het midden (fauces).  Vervolgens kwam men in het atrium terecht.  Deze binnenplaats was omgeven door kamers.  Via het open dak kwam er licht binnen.  Onder dit open dak lag het impluvium dat diende om regenwater op te vangen.

Atrium met impluvium

 
 

 

   
 

De kamers rond het atrium werden alae (zijvertrekken) genoemd.  De muren waren versierd met kleurrijke fresco's en op de grond lagen mozaïeken met een geometrische of figuratieve afbeeldingen.  Verlichting had men via olielampjes, kandelabers enz.  Verder had men cubicula (slaap/rustkamers), een tablinum (woonruimte), een triclinium (eetkamer) en een oecus (zijvertrek bij de tuin).

 
       
 

Tablinum

Het peristylium was een binnentuin dat omgeven werd met een zuilengalerij.  Zo had men altijd schaduw.

In latere periodes werden aanpassingen gemaakt aan de functionele noden van de eigenaar.

Peristylium

 
 

 
     
 

Palatium

     
 

Het Palatium was de verblijfplaats van de keizer.  De naam is afgeleid van de plaats van het eerste keizerlijke verblijf op de Palatinus.  Het paleis had niet enkel woonvertrekken voor de keizerlijke familie maar had ook nog ruimtes met politieke, militaire, religieuze en funeraire functies.

Het eerste paleis werd door Augustus gebouwd.  Zijn huis was verbonden met de tempel van Apollo die ook op de Palatijn stond.  Zijn opvolgers breidden het paleis steeds verder uit.

 
     
 

Villae:

Fundus (landbouwbedrijf)

       
 

Landbouwbedrijven bestonden uit twee delen: de pars urbana, het residentieel gedeelte, en de pars rustica, de bedrijfsruimten of -gebouwen.  Deze laatsten lagen op zekere afstand van de pars urbana.  De plaats, de omvang en de schikking van de pars rustica werden bepaald door praktische overwegingen, in functie van het landbouwbedrijf.

 
     
 

Villae marittimae

       
  Villae marittimae waren viskwekerijen.  Net zoals bij de fundus lag hier de pars rustica, de viskweekinstallaties gescheiden van de residentiële villa.  
     
 

Residentiële villae

       
 

Tijdens de Republiek volgden de residentiële villae grotendeels het plan van een domus.  Ze konden echter wel groter zijn en hadden ook open buitenmuren.  Tijdens de Keizertijd kwamen villae los van landbouwbedrijven of werden zelfs uitsluitend voor otium gebouwd en werd er aandacht geschonken aan de band tussen natuur en architectuur.  Dit leidde tot meer losse en open schema's die aangepast waren aan het terrein en waarbij de vertrekken soms over verschillende artificiële terrassen waren verspreid.  De ligging van de verschillende afzonderlijke kwartieren (woon- en dienstvertrekken, badcomplex, ...) werd o.a. bepaald door de mogelijkheden van het uizicht naar buiten.  De residentiële appartementen lagen gewoonlijk op het hoogste niveau.  Verder waren er soms ook woonvertrekken die seizoensgebonden werden gebruikt.  Een belangrijk element van de villa was de tuin.  Die bracht het landschap tot in de villa.

 
     
  Keizerlijke villae        
  De architectuur van de keizerlijke villae was in wezen niet verschillend van private villae.  Ze vormden de luxueuze buitenverblijven van de keizer.  De meest gekende keizerlijke villae zijn die van Tiberius, Domitianus en Hadrianus.  
     
     
 

Fresco's:

1e Pompeiaanse stijl

       
  De fresco's uit de eerste eeuw voor en na Christus worden onderverdeeld in de vier Pompejaanse stijlen.  De eerste stijl bootst hoofdzakelijk architectuurelementen na in stucco.  De hoofdkenmerken zijn kroonlijsten, verticale lijnen en een rijke polychromie van de geïmiteerde steenlagen.  Soms komen ook Dorische halfzuilen of pilasters in stuc voor.  Tenslotte krijgt men ook een imitatie van gedrapeerde gordijnen.

 
     
 

2e Pompeiaanse stijl

       
  In de tweede Pompeiaanse stijl wordt de stucco uit de eerste stijl vervangen door kleuren.  Deze tweede stijl wordt gekenmerkt door imaginaire creaties met werkelijke onderdelen zoals kapitelen, basissen, architraven, zuilen, ...  Waar er in de werkelijke architectuur standbeelden worden geplaatst tussen zuilen, worden er in de fresco's scènes afgebeeld.  In luxe villa's kunnen deze scènes soms uitgroeien tot "megalografieën" met verschillende (bijna) levensgrote personages.  De keuze en de schikking van de versieringsmotieven staan in verhouding tot de functie van het vertrek.  Daarnaast maakt de versiering ook de indeling van het vertrek duidelijker.  In de tweede Pompeiaanse stijl werd de beschildering soms ook doorgetrokken naar het plafond of gewelf.  Dan werden gewoonlijk caissons nagebootst.

  

 
     
 

3e Pompeiaanse stijl

       
  Kenmerkend voor deze stijl is de reductie van architecturale vormen uit de tweede stijl tot lineaire elementen die de wand indelen.  De realistische architectuur wordt verlaten voor decoratieve elementen.  Daarnaast is er ook de invoering van de landschapsschilderkunst die tuinen weergeeft.  Op deze manier wordt - door illusionistische effecten - de tuin vergroot of krijgt een gesloten vertrek uitzicht op een tuin.  Het vroegere caisson-systeem op het gewelf wordt nu weergegeven met stuc-reliëf.  Geschilderde plafonds komen ook nog voor en krijgen verschillende nieuwe schema's: zo had men versieringen met geometrische composities - wat afgeleid was van caissons; composities met symmetrisch geschikte panelen; vrije composities die los staan van de caissonzoldering ofwel symmetrisch rond een een centraal paneel lagen; en een overgangsfase naar de vierde stijl.

  

 
     
 

4e Pompeiaanse stijl

       
       Bij de vierde Pompeiaanse stijl wordt de wand steeds in drie horizontale zones verdeeld.  Men krijgt opnieuw illusionistische effecten met een toename van het ornament.  Zolderen waren zeer gevarieerd.  Men heeft vooral concentrisch geschikte composities met veel gebruik van stucreliëf.

  

 
     
     
 

Mozaïeken

       
 

Mozaïeken dienden oorspronkelijk als vloerbekleding, maar in de Keizertijd sierden ze ook de muren en gewelven.  De mozaïeken uit de eerste eeuw voor Christus sloten nog aan bij de Grieks-Hellenistische traditie en hadden het karakter van een tapijt met in het midden een emblema en aan de kant ornamentele banden.  Sommige van deze emblemata waren kopieën van Grieks-Hellenistische schilderwerken.  De grote vlakken waren opgebouwd uit vierkante steentjes (opus tesselatum).  Voor de figuratieve delen gebruikte men hele kleine steentjes (opus vermiculatum).

In de eerste eeuw na Christus ontstaat er een eigen "Romeinse" vorm waarbij de mozaïek een deel uitmaakt van de architectuur.

Romeinse kopie naar Hellenistisch voorbeeld

 

naar boven