Het Kamp

HOME

 
     
 

Indeling leger | Legionairs | Belegeringstuigen | Tactieken

 
 

Indeling leger | Indeling legerkamp

 
 

 

   
 

Koningstijd

 

 

 
 

In het prille begin, toen Rome niet meer was dan een verzameling dorpen op de zeven heuvels bij de Tiber, bestond er nog geen echt Romeins leger. We moeten voor de 8ste eeuw v.C. voor Rome eerder spreken van krijgsbenden, groepjes stamgebonden soldaten van o.a. de Latijnen en Sabijnen die in los verband vochten. De overleden krijgers werden op de heuvels in crematiegraven bijgezet, samen met hun bewapening.

In de 7de en 6de eeuw v.C. nam de invloed van de Etrusken en de Grieken op de Romeinen sterk toe en deze volkeren introduceerden tijdens het bewind van de Etruskische koningen in Rome bijgevolg de tactiek van de hoplieten en de falanx gevechtsformatie. Voor het eerst kon er bij de Romeinen van een echt goed georganiseerde legermacht gesproken worden, al bleef het een kleine strijdmacht van ca. 3300 manschappen. De rekruten werden als dienstplichtigen geronseld onder de rijkste burgers van Rome, aangezien iedere soldaat voor zijn eigen uitrusting instond.

 
       
 

Republiek

     
 

Vanaf de vroege republikeinse periode veranderde het Romeinse leger grondig. De hopliet en zijn bijbehorende solide, maar tevens ook stugge falanx verdween stilaan van het strijdtoneel en werd meer en meer vervangen door andere types soldaten, die zich ook wat beweeglijker gingen opstellen. Vijf verschillende categorieën militairen traden nu aan in de rangen van de Romeinse legers, die nu in legioenen in kleinere eenheden werden onderverdeeld. Aanvankelijk werden er vier legioenen uit de grond gestampt, twee voor iedere consul, hun tijdelijk aangestelde aanvoerders. In de legiones bevonden zich nu ook lichtbewapende verkenners en schermutselaars. Deze dienstplichtige soldaten werden volgens hun leeftijd, maar vooral op basis van hun vermogen in een van deze categorieën ondergebracht en kochten nog steeds hun eigen wapens. Meestal werden de legioenen op het slagveld in de fameuze acies triplex formatie opgesteld, waarbij de eerste linie door afdelingen hastati werd gevormd, de tweede door de principes en de derde door de best bewapende veteranen, de triarii, die als een reserve fungeerden. Hierbij verdeelde een legioen zich in 10 cohorten, vier vooraan en telkens drie in de tweede en de derde linie, waarbij de leemtes in de linies door de achterliggende formatie konden worden opgevuld, een schaakbordformatie dus. Naargelang de omstandigheden op het terrein en de samenstelling van de vijandelijke troepen kon deze opstelling aangepast worden. De Romeinse formaties stonden namelijk bekend om hun flexibiliteit. Een tactisch genie zoals Caesar buitte dit volledig uit en met groot succes. Een cohors bestond uit drie manipels van telkens twee centuries. Het aantal soldaten per centuria veranderde doorheen de republiek van 100 naar 30 of 60 tot uiteindelijk 80. Op het einde van de 2de eeuw v.C. werd een centurie opgesplitst in 10 tenteenheden (contubernia) van acht legionairs. In deze kleine, maar zeer hechte gevechtseenheid namen kameraden achter elkaar hun posities in om het tegen de vijand op te nemen. Zo konden ze elkaar aanmoedigen, ondersteunen en aflossen in het heetst van de strijd. De flanken werden tijdens de republiek dikwijls door de hulptroepen gedekt, waar vooral de cavalerie een belangrijke rol in speelde. Bij belegeringen kon bovendien gebruik gemaakt worden van allerlei geschut en andere belegeringsmachines en -tactieken.

 
       
 

Keizertijd

 

 

 
 

Deze onderverdeling van de legioenen bleef nagenoeg ongewijzigd tot op het einde van de 3de eeuw n.C., ook na de legerhervormingen door Augustus, die van de Romeinse strijdkrachten een professionele strijdmacht had gemaakt. Wat er in de loop van de 1ste eeuw n.C. nog werd aangepast was de structuur van de eerste cohort. Vóór deze aanpassing bestond iedere cohors uit 480 soldaten, wat overeenkwam met 4800 manschappen per legio. Nadien telde de eerste cohort, tegelijk ook de erecohors waar enkel de beste soldaten deel van uitmaakten, vijf dubbele centuries van 160 man, dus 800 manschappen, wat het totaal per legioen in theorie op 5120 bracht, plus 120 legioenruiters. Daarbij moeten dan in principe nog eens zoveel auxilia  (hulptroepen) worden gerekend, plus de bagagetros met slaven, knechten en kampvolgers.

 

naar boven