Het Kamp

HOME

 
     
 

Indeling leger | Legionairs | Belegeringstuigen | Tactieken

 
 

Indeling leger | Indeling legerkamp

 
 

 

   
 

Evolutie van de Romeinse legerkampen

 

 

 
 

Tijdens de republiek en de eerste decennia van de keizertijd bestonden de legioenkampen uit tijdelijke verschansingen uit aarde en hout. Deze mogen we niet beschouwen als versterkte burchten, maar veeleer als een beschutte plaats voor de nacht waarin de soldaten zich in vijandelijk gebied konden beschermen tegen eventuele overvallen. Men kende aestiva (zomerkampen die slechts één of enkele nachten werden bewoond, in feite een marskamp) en hiberna of stativa (beter uitgebouwde winterforten waarin de wintermaanden werden doorgebracht). In bepaalde gevallen, voornamelijk in het oosten van het Romeinse rijk, werden militairen in de reeds bestaande stedelijke agglomeraties ondergebracht. In wezen dienden al deze kampen als uitvalsbasissen voor een offensieve oorlogscampagne. De Romeinse soldaten gingen naar buiten om de tegenstander in het open veld tegemoet te treden. Zij deden bovendien niet zelden uitvallen naar de vijand, zelfs wanneer het kamp werd belegerd.

Al sinds het midden van de 2e eeuw v.C. trokken de republikeinse legers versterkte kazernes op met een strikt vastgelegde binnenbebouwing die moesten dienen als winterkampen of belegeringsbasissen. Enkele mooie voorbeelden van zulke vroeg-Romeinse semi-permanente legerkampen werden in Numantia in Spanje opgegraven, maar voor deze periode waren dit uitzonderingen. Zelfs na de hervormingen door Marius in het begin van de 1e eeuw v.C. bleef het Romeinse leger in essentie een mobiel veldleger, dat geen permanente basissen kende. Nadien evolueerden deze forten dan verder naar de standaardlegerkampen die in de keizertijd in grote aantallen verschenen. Rond het midden van de 1e eeuw n.C. was dit proces voltooid.

Aan het einde van de regering van Claudius (41-54 n.C.) werden vele legerkampen niet langer in hout en aarde, maar stilaan steeds meer in steen opgetrokken. Dit was het gevolg van de stabilisatie van de situatie aan de rijksgrenzen, waarbij bepaalde legioenen veel langer ter plaatse bleven. Bij verbouwingen in houten forten ging men dan dikwijls in een volgende fase over tot steenbouw. Zo hebben archeologen in bepaalde forten wel meer dan 5 opeenvolgende bouwfasen onderscheiden.

In de eerste twee eeuwen n.C. hebben de Romeinse legioenen allerlei types militaire versterkingen aangelegd, voornamelijk aan de grenzen. Het waren inderdaad vooral de soldaten uit de legioenen – de Romeinse burgers dus – die verantwoordelijk waren voor de bouw van de legerkampen, zowel de castra als de castella. De vroegste bewijzen voor de inschakeling van de hulptroepen in bouwactiviteiten komen uit Engeland en dateren van rond 95-105 n.C.

Toen in de loop van de 1ste eeuw n.C. stilaan overgegaan werd naar een defensievere politiek en de grenzen meer geconsolideerd werden, ontstonden echte permanente legerkampen. Hierbij werd de nadruk gelegd op meer veiligheid en comfort voor de militairen ter plaatse. De soldaten verbleven dus stilaan niet langer in tenten, maar in houten barakken, dikwijls zelfs in woningen met een stenen fundament met nog een borstwering uit hout of gevlochten twijgen. Van op de wal of muur kon een zone van ongeveer 40 meter bestookt worden met handgeworpen stenen en werpspiesen. Pijlen, slingerkogels en projectielen en katapulten reikten nog veel verder. Tegen een stenen muur werd aan de binnenzijde een aarden ophoping geworpen, zodat de wallen bijna overal tegelijk betreden konden worden door de verdedigers, maar ook om de muren tegen inbeuken te beschermen. De borstwering werd op regelmatige afstanden voorzien van niet-uitspringende torens met twee verdiepingen en de toegangspoorten werden telkens door twee torens geflankeerd. De poorten van deze poorten waren gemaakt van ongeveer 10 cm dikke planken en werden met ijzeren platen gepantserd om ze brandvrij te maken. Via de torens kon men eveneens de weergangen bereiken en de aanvallers vanuit hoger gelegen posities bestoken. Om nog meer indruk te maken op de vijand aan de overzijde van de grens werden de muren van de forten aan de buitenkant bepleisterd met witte kalk en met rode lijnen werden de bouwstenen aangeduid.

We kunnen zo een stenen fort het best vergelijken met een kleine Romeinse stad, waar alle infrastructuur en accommodatie aanwezig was om de soldaten een vrij comfortabel leven te laten leiden.

 
       
 

Indeling van de legioen- en auxiliakampen

     
 

Er waren niet enkel barakken in de legioenkampen, maar ook een hoofdkwartier (principia) in het centrum, waar de twee hoofdwegen (de via principalis en de via praetoria) elkaar kruisten, een hospitaal voor gewonden en zieken, ook soms een dierenkliniek. Verder waren er nog stallen voor de paarden en lastdieren, verschillende opslagplaatsen voor voedingswaren, toiletten, baden, ateliers voor de ambachtslui, een wapenarsenaal, de luxueuze officierswoningen en eventueel ovens voor het bakken van brood.

 

 
 

Principia van Housesteads

Laten we de verschillende gebouwen in een castrum even van dichterbij bekijken. Het hoofdkwartier (principia) was zowat het grootste gebouw binnen de muren van een legerkamp. Tijdens de republiek was deze centrale locatie in het kamp tegelijk hoofdkwartier en woonplaats van de legeraanvoerder, en werd het praetorium genoemd. Vanaf de 1ste eeuw n.C. was er in de permanente castra evenwel een aparte luxueuze woning voorzien voor de legatus legionis, de commandant, en het eigenlijke hoofdkwartier werd een afzonderlijk gebouw. Dit complex bestond uit verschillende vleugels met portieken die gerangschikt waren rond twee ruime binnenpleinen. In deze open ruimten konden parades en toespraken gehouden worden om het moreel van de troepen hoog te houden. In vele forten stonden hier ook kleine fonteinen en waterbekkens, godenbeelden en portretten van de keizerlijke familie. Rond deze binnenplaatsen bevonden zich wapenarsenalen (armamentaria) en kantoren voor de administratie. In bepaalde gevallen werden deze ruimten verwarmd. Tegenover de monumentale ingang van het paradeplein lag er een basilica (halfvormig gebouw), waar onder andere bijeenkomsten werden gehouden en recht werd gesproken door de commandant. Bij slechte weersomstandigheden kon hier ook geoefend worden. Helemaal achteraan het hoofdkwartier lag het kampheiligdom (aedes of sacellum), waar ook de veldtekens, standaarden en portretten van de keizer werden bewaard. Onder het heiligdom was de kluis gesitueerd, het aerarium, waar het (spaar)geld van het legioen werd bewaard. Deze zonde werd dag en nacht bewaakt. In dit enorme hoofdkwartier was het centrale commando gevestigd, het centrale archief werd er bijgehouden, er werd krijgsraad gehouden en er werden orders uitgedeeld.

 
     
 

De officierswoningen lagen rond dit hoofdkwartier. Dit waren geen gewone barakken, maar echt imposante, luxueuze villa’s als het ware, met inkomhal, eet- en slaapkamers, een keuken, een aparte latrine, een stal, een binnenhof en een verwarmd badgebouw. Ook de families en het personeel van de officieren mochten in deze gebouwen verblijven. De woning van de commandant heette praetorium, die van de kampprefect quaestorium. Ook de zes tribunen en de primi ordines (centurio’s van de eerste cohort) hadden hun eigen verblijfplaats in het legioenkamp. Hun woning had veel weg van de klassieke domus of stadswoning van de rijkere klasse en lag over het algemeen aan de via principalis. De honderdmannen (centuriones) beschikten ook over een aparte woonruimte op het uiteinde van elke soldatenbarak, bestaande uit enkele afzonderlijke vertrekken die ook vrij luxueus ingericht konden zijn met een privaat toilet en een wasplaats. Vermoedelijk deelde de centurio zijn onderkomen met zijn belangrijkste onderofficieren, de optio en de standaarddrager en eventueel zijn slaven.

Praetorium van Housesteads

 
     
 

De grootste oppervlakte binnen de muren van een castrum werd natuurlijk ingenomen door de barakken van de soldaten. Zij verbleven in veel kleinere vertrekken (contubernia), die allemaal dicht op elkaar waren gebouwd om zo weinig mogelijk ruimte in te nemen. Een barak bestond uit een langwerpig gebouw uit hout of een stenen fundering met vakwerk erbovenop, soms volledig in steen, waar één centuria van een tachtigtal soldaten werd ondergebracht. Dit gebouw was ingedeeld in tien slaapkamers (papiliones) met daarvoor telkens een kleinere opslagplaats (arma), waar wapens en ander materiaal bewaard konden worden. Aan de voorzijde van deze barakken was een doorlopend afdak aanwezig dat beschutting bood bij regen of brandende zonneschijn. In de slaapruimten stonden stapelbedden met strooien matrassen voor acht man, eventueel een tafel en banken en er was een haardvuur om te koken en de barak te verwarmen. Hier brachten de militairen veel van hun tijd door, wanneer ze geen dienst of karweien hadden. Vooral in de wintermaanden kon men in de barakken wat warmte en vertier vinden. Vele soldaten hadden bovendien knechten en slaven en men neemt aan dat die onder het (zadel)dak onderdak vonden.

 
     
 

Aangezien het leger vanaf Augustus over een uitgebreide medische staf beschikte, met artsen en verplegers die moesten instaan voor de gewonden en zieken, was er in elk castrum een hospitaal (valetudinarium). Deze hospitalen ontstonden voor het eerst ten tijde van de geboorte van Christus bij de troepen aan de noordgrens van het rijk. Het legerhospitaal zelf lag ook meestal vrij centraal op een vrij rustige plek in het fort, zoals in het legioenkamp Vetera bij Xanten in Duitsland, dat dateert uit de tijd van keizer Nero (54-68 n.C.). Het grondplan was opgebouwd uit een hele reeks kleinere kamers die uitkwamen op een of meer gangen of binnenplaatsen. Verder was er een grote inkomhal en diverse opslagruimten. Er zijn aanwijzingen dat bepaalde vertrekken gebruikt werden als keuken, apotheek, toilet, openbaarruimte, operatiekamer of verblijfplaats voor de artsen. Ook in de tentenkampen (meerkampen) en de grotere hulptroepenforten waren onderkomens voorzien voor de gekwetsten en zieken. De grondplannen leken op die van de legioenkampen, alleen stukken kleiner. Soms ging het om slechts één vleugel. De hulpbehoevende soldaten in deze forten werden vermoedelijk overgebracht naar het dichtstbijzijnde kamp dat wel over een hospitaal beschikte, ofwel kwam het medische personeel van daaruit bij hen op bezoek om het ter plaatse te verzorgen. Men schat dat vijf tot tien procent van de manschappen in de ziekenboeg tegelijk moest kunnen opgevangen en verzorgd worden.

Het hospitaal kwam onder toezicht van de optio valetudinarii, die op geregelde tijdstippen overleg pleegde met het team van de artsen en ook zorgde voor voldoende medicijnen en andere benodigdheden. Net onder de optio stonden dan de medici of artsen, die op hun beurt werden bijgestaan door de medici ordinarii. De militaire artsen waren dikwijls burgers van Griekse origine en hadden vermoedelijk een statuut dat werd gelijkgesteld aan dat van een officier van de ridderstand, met een daaraan aangepaste soldij. Men vermoedt dat er in het Romeinse leger één arts werkzaam was per vijfhonderd soldaten. De lagere rangen werden bezet door de hospitaalsoldaten en de capsarii (deze naam is afgeleid van de capsa, een ronde lederen container waarin medische instrumenten zaten, een soort EHBO-kistje). Zij moesten instaan voor de eerste hulp voor de gewonden op het slagveld, voordat deze gekwetsten naar de ziekenboeg in het kamp zelf werden overgebracht. Men mag aannemen dat de medici ordinarii de minder complexe wonden verzorgden en dat de medici de ernstigere kwetsuren voor hun rekening namen. Ook de gewone soldaten kregen een basisopleiding in de eerste hulp. Op de diverse plaatsen zijn bij opgravingen medische instrumenten aan het licht gekomen. Deze geavanceerde voorwerpen wijzen erop dat de medische verzorging in het Romeinse leger op een hoog niveau stond.

Om voor de zieke en gewonde rij- en lastdieren te kunnen zorgen was er ook een dierenkliniek, waar veeartsen hun werk deden (veterinarium). De paarden die bij oefeningen, verkenningstochten of in het gevecht blessures hadden opgelopen konden hier verzorgd worden. Om al deze dieren te kunnen houden werden in elk fort tientallen stallen gebouwd, hoewel het moeilijk is bij opgravingen bepaalde constructies als stallen te herkennen.

 
 

    

Valetudinarium en horrea van Housesteads

 
     
 

Het graan, het hooi en andere eetwaren werden in grote opslagplaatsen (horrea) opgeborgen. Deze graanschuren lagen over het algemeen niet al te ver van de toegangen van het fort, om het opslaan en transporteren wat te vergemakkelijken. Via een laadplatform kon men de goederen gemakkelijker van de karren laden. In vredestijd werden deze opslagruimten ook wel eens buiten de muren van het kamp opgetrokken, in het kampdorp. Typerend voor deze gebouwen was de opgehoogde vloer met ventilatiesysteem, zodat de voorraden niet bedierven. De muren van de horrea werden aan de buitenzijde voorzien van steunberen om het gewicht van het zware dak te kunnen dragen.

De toiletten of latrines bevonden zich dikwijls vlak bij de omwalling van het fort, op een afstand van de woonzones om eventuele reukhinder te vermijden en ook om de evacuatie van het afvalwater te vergemakkelijken. In een groot castrum waren er verschillende latrines, die over het legerkamp verspreid lagen. De hoge officieren hadden natuurlijk hun eigen privé-toilet in hun woningen, net als de centurio’s. Zij beschikten dan veeleer over een beerput, die soms op het rioleringssysteem was aangesloten. In het hulptroepenkamp te Housesteads in Engeland werd een mooi voorbeeld van zo een latrinecomplex opgegraven. Vanuit een watertank werd voortdurend water door een kanaal gestuurd dat langs de voeten van de soldaten stroomde, waardoor zij hun achterwerk konden reinigen met behulp van een spons of mos op een stokje. Het vervuilde water liep dan verder onder de zitbanken door zodat de excrementen via het kanaal werden weggespoeld tot buiten de omwalling.

De militaire ateliers, de fabricae, voor de diverse ambachtslui zoals smeden en schrijnwerkers lagen meestal samen in één bepaalde ambachtelijke of industriële zone van het legioenfort, niet ver van het intervallum (de ruimte tussen de omwalling en de binnenbebouwing). De verschillende vertrekken lagen dikwijls omheen een binnenplaats of langs een centrale hal en waren ingedeeld in werk- en opslagruimten. Hier konden smeden dan nieuwe wapens of andere onderdelen van de uitrusting vervaardigen of herstellen. Schoenlappers produceerden er militair schoeisel, leerbewerkers maakten er draagtassen en gordels, beenbewerkers versneden slachtafval tot mooie naalden, priemen, dobbelstenen en speelschijfjes, en timmerlui staken er stevige meubels in elkaar.

Langs de belangrijkste straten in het legerkamp bevonden zich soms ook rijen kleine, enkelvoudige vertrekken (tabernae) die langs de voorzijde een portiek hadden die op de straat uitgaf. Hun precieze functie is niet altijd duidelijk, maar men vermoedt dat sommige van deze tabernae dienden als bergplaatsen voor stallen van transportvoertuigen of de bewaring van gereedschap, of dat ze eventueel als werkplaats gefunctioneerd hebben.

Nog andere gebouwen die we in een legioenkamp kunnen vinden zijn vergaderruimten voor colleges van officieren, scholae genoemd. In het fort van Neuss/Novaesium werd een gebouw als kerker geïdentificeerd. Het lag vlakbij een van de toegangspoorten en was onderverdeeld in kleine cellen.

Om de soldaten in staat te stellen tijdens hun vrije uren een bad te gaan nemen en zich te ontspannen, hadden bijna alle kampen thermen (badgebouwen), ofwel binnen de muren of erbuiten. Dit was de ontmoetingsplaats bij uitstek om praatjes te maken, zaken te bespreken, lichamelijke oefeningen te doen, kortom de dagelijkse beslommeringen even te vergeten. Deze baden hadden een kleedkamer, een koud, warm en heet bad, soms ook nog een stoombad of een droge hete ruimte en een sportruimte. Via stookplaatsen werden naast het water ook de vloeren en wanden verwarmd. De aan- en afvoer van de grote hoeveelheden water werd via een ingenieus kanalisatiesysteem geregeld.

 
       
 

Verschillende soorten legerkampen

 

 

 
 

Een categorie militaire kazernes, die we tussen de legioen- en auxiliakampen in kunnen plaatsen, zijn forten die speciaal opgetrokken werden om er detachementen van legioenen in onder te brengen, de zogenaamde vexillationes. Zij waren tijdelijk losgeweekt van hun oorspronkelijk legioen om specifieke opdrachten te vervullen, zoals bouwactiviteiten. Hun legerkampen zijn over het algemeen enkele malen groter dan de auxiliaforten (tussen 8 en 12 hectare), maar te klein om een volledig legioen in te huisvesten. Gemiddeld moeten in deze kampen zowat 1000 soldaten verbleven hebben.

Naast de castra of legioenkampen, beschikte de Romeinse troepen ook over kazernes voor de hulptroepen, zowel infanterie als ruiterij of gemengde eenheden. In grondplan kwamen die in grote lijnen overeen met de castra, ze waren alleen een stuk kleiner, gemiddeld tussen 1 en 3 ha. Nog kleiner (max. 1 ha) waren de mini-castella of ‘kleinkastelle’, goed voor het onderbrengen van enkele tientallen soldaten tot maximaal twee centuriae van tachtig man, samen met hun knechten en slaven. Deze kleine versterkingen zijn te vergelijken met de burgi uit de late keizertijd (vanaf de 3e eeuw n.C.), waar dikwijls ongeregelde eenheden of zogenaamde numeri werden in ondergebracht.

 
 

Deze forten lagen bijna steeds vlakbij de grens, terwijl de legioenkampen dikwijls meer in het binnenland opgericht werden.

 

Als laatste en tevens kleinste categorie versterking komt de wachttoren. Deze uitkijkposten stonden op signaalafstand van elkaar en werden bemand door zes tot tien soldaten, die regelmatig werden afgelost. Een dergelijke toren had twee verdiepingen boven het afgesloten gelijkvloers; De eerste etage was van buitenaf bereikbaar via een ladder en diende als slaap- en verblijfplaats. Via het eerste verdiep kon men dan afdalen naar het gelijkvloers, waar voorraden werden bewaard en gekookt werd. De bovenste verdieping diende als uitkijkpost en had een ommegang en werd vermoedelijk afgedekt door een zadeldak.

 
         
 

De cannabae en vici

     
 

Een interessant fenomeen zijn de zogenaamde canabae of kampdorpen die rond legioenforten ontstaan, dus net buiten de wallen van de militaire kampen. In deze nederzettingen leefde de ‘kampvolgers’, meestal burgers, veteranen of vreemdelingen die bepaalde activiteiten uitoefenden afhankelijk van aanwezigheid van de soldaten. Al tijdens de republiek werden de Romeinse strijdkrachten op de voet gevolgd door mensen van allerlei slag. Zij boden een welkome afwisseling en verstrooiing en de soldaten zagen hun dan ook graag komen.

De legeraanvoerders zagen deze indringers evenwel liever gaan, omdat ze hen dikwijls beschouwden als een bedreiging van de discipline. Deze mensen sloegen hun tenten op of bouwden hun schamele woningen vlakbij de wallen van het fort, langsheen de uitvalswegen die het kamp verlieten. Bij permanente versterkingen woonden zij zelfs in echte huizen in vakwerk of steen. Het kon gaan om familieleden en kennissen van de militairen (vriendinnen en kinderen), marktkramers en handelaars die hun goederen te koop aanboden. Allerlei ambachtslui vonden ook hun weg naar deze kampdorpen, zoals beenbewerkers, pottenbakkers, bronsgieters, meubelmakers en glasblazers. Verder vinden we er herbergen voor reizigers, maar ook kroegen waar de soldaten iets konden gaan nuttigen in hun vrije tijd, en waar hoeren en circus artiesten het de soldaten naar hun zin maakten. Sommige van deze canabae hadden een regelrecht amfitheater, een grote marktplaats of grote opslagruimten, maar ook tempels en badgebouwen. Deze sites groeiden in bepaalde gevallen uit tot echte stedelijke agglomeraties, municipia of zelfs colonae. Buiten de omwalling van de hulptroepenforten schoten eveneens gelijkaardige kleine burgerlijke nederzettingen, de vici, als paddestoelen uit de grond. Ruw geschat schommelde het bevolkingsaantal in deze kampdorpen tussen 500 en 2000 personen, naargelang de bewoonde oppervlakte. Het stratennet in deze nederzettingen vertoonde over het algemeen een vrij regelmatig dambordpatroon.

Rond de kampen en hun dorpen lagen dan de begraafplaatsen, zowel militaire als burgerlijke, waar de overleden soldaten en de inwoners van de canabae en de vici werden bijgezet. De militaire grafvelden waren in principe steeds gescheiden van de burgerlijke. Op vele plaatsen werden in de buurt van de forten de mooi afgewerkte en (toen ook) beschilderde grafstèles van de overleden soldaten teruggevonden.

 
     
     
 

afbeeldingen: http://www.odysseyadventures.ca/articles/hadrian-wall/article_hadrianswall.htm

 

naar boven