Het Kamp

HOME

 
     
 

Indeling leger | Legionairs | Belegeringstuigen | Tactieken

 
 

Kledij | Defensieve uitrusting | Offensieve uitrusting | Marsuitrusting | Pioniersuitrusting

 
 

 

 

 
 

Tuniek (Tunica)

     
 

In de 1ste eeuw n. Chr. droegen alle vrije Romeinse mannen een tunica die tot een beetje onder de knie kwam. Deze was meestal gemaakt uit wol, maar soms ook uit linnen. Wol werd het meeste gebruikt. De stof was sterk en warm, maar toch niet plakkerig of ongemakkelijk bij hoge temperaturen. Linnen tunieken werden vaak gedragen in de oostelijke provincies en in Noord Afrika. Linnen is zacht en huidvriendelijker dan wol. Tevens worden zweetgeuren goed gecamoufleerd door de linnen stof.

De militaire tunica was meestal van wol gemaakt. Dit omdat deze stof minder snel versleet dan linnen. De militaire tuniek bestond uit twee grote rechthoeken die tegen elkaar genaaid werden. Er werden openingen gelaten voor het hoofd en de armen. De tunica was zeer breed zodat er een decoratief plooienspel ontstond bij het dragen. De militaire tuniek reikte tot halverwege het scheenbeen maar werd met behulp van een riem of touw boven de knie gedragen. Dit onderscheidde de soldaat van een gewone burger. De militaire tuniek was doorgaans mouwloos en had een grote nekopening. Dankzij deze grote opening kon de tunica naar beneden gelaten worden zodat de soldaat gemakkelijk zou kunnen werken, zonder hinder te ondervinden van het volumineuze kledingstuk. Er zijn ook tunieken gekend met korte mouwen, maar deze waren niet veel voorkomend.

Het is goed mogelijk dat soldaten tijdens de winter in koude streken, naar Gallisch voorbeeld, een tunica met lange mouwen droegen.

 
       
 

Fascia Ventralis

     
 

De fascia ventralis was meestal gemaakt uit dunne wol. Het was een lang rechthoekig stuk stof dat soms door de soldaat om het middel werd gewikkeld. De fascia ventralis had verschillende functies. De band ondersteunde de rug en werd niet enkel door militairen, maar ook door landbouwers en dokwerkers gedragen. Een andere functie van de fascia ventralis was het bijeensnoeren van de soms zeer weelderige stof van de tunica en wanneer de soldaat niet in harnas was, leverde de buikwindel de nodige dikte opdat de soldatengordel niet zou afzakken. Tenslotte beschermde de fascia de tuniek tegen de soms scherpe metalen onderdelen op de achterkant van de gordel.

 
       
 

Militaire gordel (balteus)

     
 

Deze gordel, die in de moderne literatuur vaak verkeerdelijk cingulum wordt genoemd, was het belangrijkste teken van de soldaat. Hij onderscheidde de soldaat van de burger. Hij werd zowel door de legionairs, als door de hulptroepen gedragen. De gordel was beslagen met metalen plaatjes die vaak versierd waren. Deze gordelplaatjes waren daarenboven dikwijls vertind of verzilverd, of voorzien van een opgelegde laag bladzilver. Aan de gordels waren twee haken waaraan een dolk bevestigd kon worden. De gordels van alle rangen tot de centurio konden voorzien zijn van een aantal lederen stroken. Deze stroken waren beslagen met metalen schijfjes. Aan het uiteinde van deze stroken waren hangertjes bevestigd. Het rinkelende geluid van honderden van deze schorten had een zeer intimiderend effect op de vijand.  

 
       
 

Mantel (Paludamentum, sagum, paenula)

   
 

Alternatieve draagwijze van de paenula

In de 1ste eeuw n. Chr. waren er drie verschillende soorten manteltypes in gebruik in het Romeinse leger. Naast de functie van kledingstuk, werd de mantel op campagne ook gebruikt als deken.

 

Het eerste type is de paludamentum. Deze mantel werd enkel door officieren, vanaf de rang van centurio tot en met de rang van keizer, gedragen. De mantel had een rechthoekige vorm en werd, een beetje zoals de civiele toga, over het lichaam gedrapeerd en over de linkerarm gedragen. Een dergelijk kledingstuk belemmerde de bewegingsvrijheid en werd vaak enkel tijdens parades en ceremonies gedragen. Een officier op campagne zal zeker zijn paludamentum geruild hebben voor één van de twee andere, functionelere manteltypes.

 

De sagum werd door de Romeinen overgenomen van de Galliërs. Het was een groot, rechthoekig stuk stof dat op de schouder gesloten werd met een mantelspeld (fibula). Het materiaal was doorgaans zware wol.

 

De paenula was een typisch Romeinse mantel die in de 1ste eeuw n. Chr. zeer populair was in het Romeinse leger. Hij had de vorm van een halve cirkel en een kap. Hij werd niet gesloten met een fibula maar met knopen of over een bepaalde lengte dichtgenaaid. Net zoals de sagum was ook de paenula van wol gemaakt. De paenula kon op diverse manieren gedragen worden.

 

 
       
 

Kniebroek (Feminalia)

     
 

De Romeinen beschouwden broeken als iets ‘verwijfd’ en niet geschikt voor echte mannen. In koude streken konden ze echter niet anders dan deze kledingstukken dragen. In deze gevallen droegen de legionairs nauw aansluitende broeken die de knie net bedekten. De naam feminalia is afgeleid van het Latijnse ‘femur’, wat dijbeen betekent. Lange broeken werden doorgaans niet door Romeinse burgers gedragen. Lange broeken werden echter wel vaak gedragen door hulptroepen van Keltische of Germaanse oorsprong.

 
       
 

Beenwindels (Tibialia)

     
 

Om de onderbenen te beschermen tegen plantengroei, ruw terrein en natuurlijk ook de koude, wikkelde de soldaat soms repen wol rond zijn onderbenen.

Legionair uit de 1ste eeuw n.Chr. met kniebroek en beenwindels.

 
       
 

Sokken (Udones)

     
 

Romeinse soldaten droegen in koude streken vaak sokken. Deze konden gemaakt zijn uit stukken stof en bestonden waarschijnlijk vaak uit materiaal van versleten tunieken. Er werden echter ook sokken gedragen die gemaakt waren door middel van de naaldbind-techniek.

 
 

 

   
 

Soldatenlaarzen (Caligae)

     
 

De Romeinse soldaat in de 1ste eeuw n. Chr. droeg meestal enkelhoge lederen laarzen. Deze laarzen waren opengesneden zodat water er gemakkelijk terug kon uitlopen en de voeten snel konden drogen. De zolen waren beslagen met ijzeren spijkers. Deze spijkers zorgden ervoor dat de lederen zool minder snel afsleet en ze zorgden ervoor dat de soldaat een goede grip had op zachte grond. Op gladde stenen oppervlakken was het gevaar voor uitglijden echter zeer groot. Vanaf 75 n. Chr. werden de open caligae meer en meer vervangen door gesloten schoenen, calcei genaamd.

 

naar boven