De
Tempel |
||||
|
Tempelgebouw | Priesterschappen | Publieke religie | Private religie | Ceremoniën | Kledij | Fasti |
||||
| Hieronder volgt een lijst van de priesterschappen te Rome in rangorde. Het getal tussen haakjes geeft het aantal priesters weer. Doorheen de tijd kon dit aantal veranderen en dan staan er meerdere getallen tussen de haakjes. De namen tussen haakjes geven onderverdelingen weer. Zelfstandige culten zoals die van Isis, Magna Mater of Iupiter Dolichenus worden hier niet besproken. | ||||
|
Republikeinse priesterschappen (senatoren) |
||||
|
||||
|
Priesterschappen (equites) |
||||
|
||||
|
"Burgerlijke" priesterschappen |
||||
|
||||
|
Keizerscultus (in Rome: senatoren) |
||||
|
||||
|
Functioneel personeel |
||||
|
||||
|
flamines In Rome had men vijftien flamines, priesters in dienst van één bepaalde god. Ze werden nog eens onderverdeeld in drie flamines maiores en twaalf flamines minores. De drie flamines maiores waren de belangrijksten. Dit blijkt niet enkel uit het feit dat ze het langst bleven bestaan maar ook vele flamines maiores zijn gekend bij naam. De flamines werden door de Pontifex Maximus ‘genomen’ (capti). Waarschijnlijk gebeurde dit door te kiezen uit drie kandidaten en de keuze werd publiekelijk uitgeroepen. Door inauguratie werd zijn functie officieel. In tegenstelling tot de andere belangrijke Romeinse priesterschappen vormden de flamines geen college, maar behoorden net zoals de Rex Sacrorum tot het college van de Pontifices onder leiding van de Pontifex Maximus. De flamines waren onderworpen aan een sterke hiërarchie, zowel bij de maiores als de minores. De flamines maiores bestonden uit de flamen Dialis, priester van Iupiter; de flamen Martialis, priester van Mars; en de flamen Quirinalis, de priester van Quirinus. Deze volgorde vond men terug in de officiële volgorde van de hooggeplaatste Romeinse priesters tijdens ceremonieën. De drieflamines maiores werden vooraf gegaan door de Rex Sacrorum - de hoogste priester en opvolger van de koning - en gevolgd door de Pontifex Maximus - de priester met de meeste politieke macht. Het onderscheid tussen de flamines maiores en minores was van sociale aard. De flamines maiores waren patriciërs - zoals de Rex Sacrorum en de Salii - terwijl de anderen plebejers waren. Dat dit ook in de praktijk werd toegepast ziet men aan de patricische namen van de gekende flamines maiores. Het college van de Pontifices werd toegankelijk voor plebejers door de Lex Ogulnia in 300 v. Chr. doch wordt er nergens iets vermeld van plebeïsche Pontifices. Flaminica De Flaminica is de vrouw van de flamen. Volgens Wissowa had enkel de Flaminica Dialis priesterlijke functies. Macrobius vermeldt echter in zijn tekst van een Pontifex Maximus over het banket bij de inauguratie van de flamen Martialis, L. Cornelius Lentulus Niger, waar de vrouw van de flamen Martialis vermeld wordt. Hieruit blijkt dus dat de vrouw ook Flaminica werd genoemd en hoogstwaarschijnlijk religieuze verplichtingen had. In tegenstelling tot haar man moest ze niet van patricische afkomst zijn. De twee gekende vrouwen die met een flamen Martialis getrouwd waren - één van hen was getrouwd met de bovenvermelde L. Cornelius Lentulus Niger - waren beide plebejers. De Flaminica Dialis was gebonden aan de meeste taboes als haar man. Voor de andere Flaminicae is dit niet geweten. Een voorbeeld hiervan is dat de Flaminica Dialis op de 1e maart, de dag waarop de Salii hun dansen met archaïsche wapens uitvoerden, gekleed ging als een rouwende persoon, wat verwijst naar het taboe van het verbod van een leger in wapens te zien voor haar man. Taboes De flamines waren onderworpen aan een aantal taboes, overblijfselen uit vroegere perioden. Vooral de flamen Dialis was gebonden door deze taboes. Zo mocht hij geen eden zweren en geen mannen in wapens zien buiten het pomerium. Vanwege deze taboes kon een flamen Dialis geen magistraat worden. De andere twee flamines maiores waren minder beperkt door deze taboes, velen golden niet voor hen. Van de acht gekende flamines Martiales uit de Republiek zijn er vijf met zekerheid en twee waarschijnlijk magistraat geweest. Drie van hen werden consul en twee van hen werden praetor. Voor de Keizertijd zijn er drie Flamines Martiales gekend die allemaal consul geworden zijn. Alhoewel de flamines politieke ambten mochten uitoefenen, waren ze toch beperkt. Zo mochten ze geen publieke functie hebben die hun aanwezigheid buiten Rome vereiste. Oorspronkelijk gold deze regel voor alle flamines maiores, maar de flamines Martiales en Quirinales hebben zich er op een gegeven moment van kunnen vrijmaken. Er zijn een aantal voorbeelden gekend, tussen 242 v. Chr. en 131 v. Chr., waar een Pontifex Maximus weigerde om een flamen Martialis of Quirinalis te laten vertrekken uit Rome. Doch later hebben ze de Stad verlaten. In 22 n. Chr. smeekte een flamen Dialis aan keizer Tiberius om hetzelfde recht te verkrijgen om een provincie te besturen zoals de andere flamines maiores. De reden waarom een flamen Dialis geen functie buiten Rome mocht hebben, had te maken met een taboe. De flamen mocht namelijk niet paardrijden. Dit kan in verband gebracht worden met het verbod om mensen in wapens te zien. De andere flamines maiores mochten wel een provincie besturen en ook paardrijden. Volgens Plinius mocht de `flamen Sacrorum` zelfs geen paard aanraken dat door de Staat geofferd werd. Dit kan verwijzen naar de flamen Dialis maar mogelijkerwijze ook de flamen Martialis in verband met het offer van het Oktoberpaard. De drie flamines maiores moesten ook steeds aanwezig zijn bij hun rituelen waardoor ze genoodzaakt waren om in Rome te blijven. Maar tussen 131 v. Chr. en 22 n. Chr. kregen de flamines Martialis en Quirinalis dit recht wel. De flamen Dialis echter niet. Het verschil tussen de eerste twee en de flamen Dialis was dat deze laatste permanent van de profane sfeer was afgesloten. Elke dag was voor hem religieus, terwijl het voor de twee andere flamines enkel de feestdagen waren. Er waren dus twee taboes die enkel gelden voor de flamen Dialis, dit zijnde het verbod op paardrijden en het zien van een strijdklaar leger buiten het pomerium. Hoewel alle gentes waren toegelaten tot de functie van flamen blijkt bij onderzoek dat er maar enkele gentes de functie uitoefenen. Tussen de maiores en minores valt ook het verschil op dat de eerste groep patricisch is en de tweede plebeïsch. Ten laatste is er nog een verschil tussen de Republiek en de Keizertijd. In deze laatste periode verschijnen er nieuwe gentes. Door toedoen van de keizers verkregen niet-patricische gentes die politieke macht hadden, de rang van patriciër. Een voorbeeld hiervan zijn de Iunii Silani die hun patricische rang van keizer Augustus kregen. |
||||
|
De Fratres Arvales of Arvaalbroeders waren eveneens een college bestaande uit twaalf personen. Hun taak was het om de arva, de gecultiveerde velden, te beschermen tegen gevaar. In het begin deden ze dit tijdens de Ambarvalia door het omlopen van de ager en het houden van een suovetaurilia ter ere van Mars. Het gebed van de Arvaalbroeders is de oudste Latijnse tekst die teruggevonden werd en wordt gedateerd in de vijfde eeuw voor Christus. Hierin vraagt men aan de Lares en Mars om de velden te beschermen en het land vruchtbaar te maken. Net zoals de Salii hun dans driemaal uitvoerden, werd er ook bij de Arvaalbroeders driemaal gedanst en werd Mars driemaal aanroepen (Marmar, Mars en Marmor) zodat de god het zeker gehoord zou hebben. Met de tekst: "Satur fu, fere mars, limen sali, sta berber." vroegen de Fratres Arvales aan Mars om de velden te beschermen met zijn kracht tegen de zichtbare en onzichtbare (bv: ziekten) vijanden. Langzaamaan werd het gebied echter te groot om het helemaal te omlopen en werden er offers gehouden door de Pontifices op bepaalde plaatsen op de vroegere grens van de ager. Augustus herstelde het oude college waardoor de rituelen van deze nieuwe Arvales goed gekend zijn. Dit zijn evenwel niet de oude, oorspronkelijke rituelen. |
||||
| De ceremonieën van de Fetiales (priesters van Iupiter Feretrius) werden gehouden bij het sluiten van een verdrag. Ze legden een publieke eed af bij Iupiter Feretrius en offerden een varken dat gedood werd met een silex steen en gooiden de steen daarna weg. Hierbij vervloekten ze zichzelf en lieten de wraak van de goden over hun komen indien ze hun gelofte zouden verbreken. | ||||
|
De Salii of Saliërs (springers) waren een priestercollege dat werd ingesteld door Tullus Hostilius en gewijd aan Mars en Quirinus. Ze bestonden oorspronkelijk uit één groep maar werden door Augustus uitgebreid naar twee groepen van twaalf personen, voornamelijk jonge adelijken. De twee groepen, de Salii Palatini en de Salii Quirini, hadden elk een eigen heuvel, de Palatinus en de Quirinalis. Alhoewel ze elk hun eigen magister hadden, een eigen district en eigen archieven, stonden ze wel allebei in tutela Iovis Martis Quirini, onder de bescherming van Iupiter, Mars en Quirinus. In de Regia bevond er zich een sacrarium van Mars waar de ancilia (archaïsche schilden in een achtvorm) en de lansen, gewijd aan de oorlogsgod, bewaard werden. Deze heilige voorwerpen werden door de Salii gebruikt terwijl ze als gewapende krijgers in de maand gewijd aan de oorlogsgod Mars, zingend en dansend door de stad trokken om de verdediging van de Stad te tonen. Op bepaalde plaatsen hielden ze nog andere rituelen waar soms ook jonge vrouwen aan deelnamen. Tijdens die maand, mochten de Salii niet marcheren zolang de schilden van Mars gedragen werden. De Salii hielden hun dans en rituelen in de maanden maart - het begin van het oorlogsseizoen - en oktober, het einde van het oorlogsseizoen. Ze voerden hun dansen driemaal uit, waarbij ze de leider van de dans volgden terwijl hij de figuren voordeed. Tezelfdertijd zongen ze ook een lied dat werd voorgezongen door de koorleider. Dit archaïsche lied, de carmen saliare, het lied van de Salii, begreep men tegen het einde van de Republiek nog maar nauwelijks meer. Het was gericht aan de goden afzonderlijk (Ianus, Iupiter, Iuno, Minerva, …) of samen (axamenta) en werd afgesloten met de vermelding van Mamurius Veturius, waarschijnlijk de legendarische smid van de ancilia. Deze axamenta waren hymnen die gecomponeerd waren door de Salii voor de aanbeden goden. Elke dag werd afgesloten met een banket. Tijdens de Keizertijd besliste de Senaat om enkele vergoddelijkte mensen, levenden als doden, toe te voegen aan de Salische Hymnen. Het ging hier om Caius en Lucius Caesares, Augustus, Germanicus, Drusus, Verus en Caracalla. Dit kon enkel gebeuren als er voordien zoiets al had plaatsgevonden. Ten eerste was er Mamurius Veturius, de maker van de ancilia. Daarnaast kwamen nog enkele namen voor die de Romeinen waarschijnlijk voor goddelijk en menselijk aanzagen, zoals Lucia Volumnia, Saeturnus en Romulus. |
||||