De Tempel

HOME

 
     
 

Tempelgebouw | Priesterschappen | Publieke religie | Private religie | Ceremoniën | Kledij | Fasti

 
       
 

Demonen of numina

     
 

In tegenstelling tot de Griekse religie die gekenmerkt werd door de antropomorfe voorstellingen van haar goden, werd de Romeinse religie gekenmerkt door de numina, een soort geesten of machten.  Dit waren de oorspronkelijke Romeinse goden.  De publieke religie kwam doorheen de eeuwen onder invloed te staan van de Griekse wereld en de Romeinse staatsgoden werden geleidelijk aan ook antropomorf afgebeeld.  De private religie bleef hier enigszins van gespaard en geeft ons nog een idee van hoe de oorspronkelijke Romeinse godsdienst er uit heeft moeten zien.

De private religieuze rituelen vonden plaats bij het lararium of huisaltaar.  Dit altaar bevond zich bij de ingang van het huis, in het centrum van het huis of bij het haardvuur.  Meestal ging het om een nis die rijkelijk versierd werd, maar lararia konden zelfs uitgroeien tot uitgewerkte kapellen versierd met marmer.  Verder kon een lararium ook bestaan uit een miniatuurtempel op een houten kast waarin de rituele voorwerpen bewaard werden.

 
       
 

De Huisgoden

     
 

Op het huisaltaar werden verschillende “goden” aanbeden.  Vooreerst was er de vesta, de godin (of numen) van het haardvuur.  Zij was de belangrijkste en werd dan ook steeds aanroepen in de gebeden.  Uiteindelijk groeide ze uit tot de staatsgodin Vesta, waarbij het vuur dat in haar tempel werd onderhouden door de Vestaalse Maagden, symbolisch werd gezien als het haardvuur van de Staat.  Haar typisch ronde tempel verwijst mogelijk naar de vroege huistypes van de Latijnen.

 
 

 

De meest gekende van de huisgoden was de Lar (familiaris), die de eigendommen van de familie beschermde en zijn naam aan het huisaltaar gaf.  Ten tijde van Augustus kende de Lar een ontdubbeling – wat ook al in de publieke religie was voorgekomen – en sindsdien waren ze steeds met twee.  De Lares werden voorgesteld als dansende jonge mannen in tunica.  Ze hielden een drinkhoorn vast en een patera (offerschaal).

Wanneer men thuis vertrok of aankwam groette men steeds de Lares.  Nadien ontstond het idee van de Lares viales en de Lares permarini die de mensen beschermden op hun reis over land en zee.  Verder waren er ook de Lares compitales die vereerd werden aan de kruispunten.  Tijdens de Compitalia werden offers gebracht bij de kapellen die op kruispunten stonden.

 

 
 

Vanaf de vroegste periode werd ook de genius aanbeden.  Hij was de beschermengel van de heer des huizes.  Iets later werd ook de iuno vereerd, beschermengel van de vrouw des huizes.  Gewoonlijk werden beiden afgebeeld als een slang waarbij de genius kenbaar gemaakt werd met een baard en/of kam.  Soms werd de genius ook weergegeven als een man met capite velato (met bedekt hoofd), een drinkhoorn en een patera.  De iuno groeide net zoals de vesta uit tot een staatsgodin.  Iuno was de vrouw van de oppergod Iupiter en behoorde tot de Capitolijnse Trias.  De genius groeide niet echt uit tot een staatsgod, maar in de Keizertijd vereerde men wel publiekelijk de genius van de Keizer en het Romeinse volk.

Verder werden er op het lararium de penates vereerd, de beschermers van de voedselvoorraad.  Ook een stad had zijn eigen penates.  Aeneas bracht zijn stadspenaten mee uit het brandende Troje.  Deze werden via zijn zoon en nakomelingen overgebracht naar Rome.

De manes waren de geesten van de voorouders.  Wanneer een familielid stierf, werd er een dodenmasker gemaakt dat bewaard werd bij het lararium, samen met bustes van bekende voorouders.

 
       
 

Dagelijkse rituelen

     
 

Terwijl de pater familias instond voor de uitvoering van de dagelijkse rituelen, stond de mater familias in voor het onderhoud van de haard en het lararium.  Het was uiterst belangrijk dat het huisaltaar altijd proper en netjes bleef.

De pater familias stond ’s morgens vroeg op en voerde nuchter de rituelen uit aan het lararium.  Hij waste eerst zijn handen en sprak een korte gebedsformule uit.  Daarna begaf hij zich naar het lararium en groette de huisgoden volgens vastgelegde gebeden.

Bij iedere maaltijd werd er een deel aan de huisgoden geofferd en al het eten en drinken dat gemorst werd, behoorde ook toe aan de huisgoden.  Na de maaltijd werden de offers van het lararium op gepaste wijze verwijderd.

De rituele voorwerpen die men gebruikte bij het lararium werden bewaard in een kast of kist die in de buurt stond.  Deze voorwerpen bestonden uit een patera, een lucerna (heilige lamp), een turibulum (wierookverbrander) en opslagpotjes voor mola salsa, wierook en dranken zoals wijn en melk.  Verder waren er ook doeken die gebruikt werden voor het reinigen van de voorwerpen en het lararium.  Alle rituele voorwerpen werden enkel voor religieuze doeleinden gebruikt en werden indien nodig op gepaste wijze verwijderd.

 

naar boven