De
Tempel |
||||||
|
Tempelgebouw | Priesterschappen | Publieke religie | Private religie | Ceremoniën | Kledij | Fasti |
||||||
|
Polytheïsme |
||||||
|
In de Romeinse godsdienst bestond er een veelvoud aan goden. Doch het aantal van machtige goden – ook wel Grote Goden genaamd - bleef beperkt en kende een interne ordening. Iedere god had op het eerste zicht een afgebakend terrein, maar in realiteit waren de grenzen veel vager. De Romeinse godsdienst stond ook apart van de Griekse. Hoewel de goden met elkaar vergeleken werden, ging het om twee verschillende religies. De interne structuur tussen de grote goden was niet zo scherp afgebakend bij de Romeinen en er kwamen steeds nieuwe goden bij. De persoonlijkheid van de Romeinse goden was in het begin heel eenvoudig waardoor de introductie van nieuwe goden vlotter verliep. Van de oorspronkelijke Romeinse religie bleef al snel niet veel meer over. De godsdienst onderging een voortdurend versmeltings- en hernieuwingsproces.Terwijl de grote goden algemene functies hadden, bestonden er ook een aantal erg gespecialiseerde goden die met de term ‘Sondergötter’ aangeduid worden. Zo waren er bijvoorbeeld een heleboel goden die voor de landbouw zorgden en toekeken op de ontkieming, groei, oogst, enz. Ook waren ze aanwezig bij elk stadium van het mensenleven. Ten derde was er een groep van demonen die tussen de mensen en goden stonden. De eerste twee van de bovenvermelde goden behoorden tot de publieke religie. Daarnaast kenden de Romeinen ook een private religie. Een aantal goden (demonen), zoals de Lares en de Penates werden vereerd op het huisaltaar en stonden in voor de bescherming van de familie, hun huis en hun bezittingen. |
||||||
|
|
||||||
|
Romeinse culten |
|
|||||
|
Het hoofddoel van de staatsreligie was het bewaren van de pax deorum, de vrede met de goden, om de veiligheid en de voorspoed van de gemeenschap te verzekeren. De Senaat hield als bewaker van de Staat, nauw toezicht over de religieuze aangelegenheden zoals de herkenning en verwerking van prodigia, een besluit of discussie omtrent religieuze zaken en de introductie of suppressie van nieuwe culten. Toch bleek dat bij de introductie van een nieuwe cultus en bij de constructie van tempels, het initiatief hoofdzakelijk bij individuen lag. Meestal beloofde een generaal een tempel aan een god tijdens zijn oorlogscampagne. Zo kon hij, zonder raadpleging van de Senaat, een nieuwe cultus in Rome binnenbrengen. Rituelen voor de officiële staatsreligie werden betaald met staatsgeld en gehouden in naam van de bevolking. Dit werd de sacra publica genoemd. De sacra privata omvatte de rituelen die gehouden werden in naam van bepaalde personen of families. Hier ging het om goden die niet officieel toegelaten waren en via handelaars, soldaten en anderen hun weg naar Rome gevonden hadden. Daarnaast was er nog de sacra gentilicia of de cultus van de gens. Tijdens de Midden en Late Republiek had men eerder interesse voor nieuwe culten, terwijl bij de overgang naar de Keizertijd de cultus van de gens op de voorgrond trad. Iedere familie onderhield zijn sacra gentilicia maar onder Iulius Caesar en zijn adoptiefzoon Augustus werd de cultus van de gens Iulia buiten zijn grenzen gebracht tot in de tijd van Nero (54 – 68 n. Chr.). Deze familiecultus was verbonden met de dodencultus van de familie. In Rome groeide dit uit tot de cultus van de gestorven Augustus waarbij men deze cultus niet onderhield voor de dode keizer, maar de vergoddelijkte keizer, de Divus Augustus. Culten hadden steeds doorlopende kosten. Jaarlijks moesten er offerdieren gekocht werden en moest men voor de spelen podia bouwen, toneelspelers inhuren en paardenrennen houden. Iedere cultus had daarom zijn eigen stuk grond dat via verpachting geld binnenbracht. |
||||||
|
Grote Goden |
||||||
|
Aan het hoofd van het Romeinse pantheon stond oorspronkelijk de oude trias: Iupiter, Mars en Quirinus. Drie belangrijke priesters die reeds vroeg aanwezig waren in de Romeinse religie, m.n. de flamen Dialis, de flamen Martialis en de flamen Quirinalis stonden in voor de cultus van de oude trias. Deze 3 oude goden waren de voorlopers van de Capitolijnse trias die Iupiter, Iuno en Minerva bevatte. De Capitolijnse trias kwam er na invloed uit de Griekse religie, net zoals de invoering van de 'Olympische Goden' waarbij men verscheidene Romeinse goden aan Griekse gekoppeld heeft. Hierdoor veranderde vaak de oorspronkelijke functie van de Romeinse goden. De twaalf Romeinse Olympische Goden waren Iupiter en Iuno, Mars en Venus, Neptunus en Minerva, Apollo en Diana, Vulcanus en Vesta, Mercurius en Ceres. In tegenstelling tot de Griekse goden, vormden de oorspronkelijke Romeinse goden geen paren door familiebanden, maar waren ze het mannelijke en vrouwelijke aspect van hun goddelijke functie (Vulcanus en Vesta waren beide goden van het vuur). Later, door gelijkstelling van Romeinse met Griekse goden, ontstonden er ook familiebanden bij de Romeinse goden. |
||||||
|
Keizerscultus |
||||||
|
Door toedoen van de steeds machtig wordende gens Iulia trad het paar tijdens de eerste eeuw voor Christus steeds meer op de voorgrond De Iulii gingen via de verbinding tussen Mars en Venus hun macht legitimeren. Mars werd aanzien als de vader van Romulus, de legendarische stichter van de Stad. Daarnaast was Venus de moeder van Aeneas, de man die zijn volk uit het brandende Troje leidde en hen naar Italië bracht. Zijn zoon Iulus werd beschouwd als de stamvader van de gens Iulia. Rhea Silvia, moeder van Romulus en Remus, was een afstammeling van Iulus. De Iulische dynastie bracht zo de stammoeder van het Iulische huis samen met de vader van de stadsstichter. |
||||||
|
|
||||||
|
Meer lezen? |
||||||
|
Meer informatie omtrent de cultus van Mars is te vinden in: E. Giampieri (2006) Mars. De verschillende aspecten van de Marscultus te Rome (onuitgegeven licentiaatsverhandeling) |
||||||