De Domus |
||||
|
Indeling huis | Kledij | Kapsels | Schmink | Juwelen | Handwerk | Winkel |
||||
|
|
||||
|
De vrouw bewaarde al haar middeltjes in pyxides, die ze ’s ochtends uitstalde op haar tafel. Ze smeerde eerst fond de teint op haar gezicht, waarbij ze keuze had uit verschillende soorten: verpulverd krijt, loodwit, oesypum (een mengsel van zweet en vuil dat zich ophoopte op de huid van schapen en waarvan de beste blijkbaar uit Athene kwam), Melinum (Een witte kleur waarvan de beste van het eiland Melos kwam. Het werd als medicijn en ontharingsmiddel gebruikt, maar had ook een zuiverend effect.) en offucia (blanketsel). Uit de antieke teksten blijkt dat dit vaak nogal vettig was, waardoor we mogen aannemen dat ze meestal nog iets toevoegden, zodat het goed smeerbaar was en op de huid bleef plakken. Naast deze vrij eenvoudige producten, bestonden er ook complexere. Soms voegden ze een rode kleurstof toe, zodat de fond de teint niet heel wit was, maar eerder een lichtroze kleur had. Er bestonden ook zalfjes die zowel vlekken deden verdwijnen, als een mooie kleur gaven aan het gelaat. Om de huid te laten stralen gebruikte men glanzende producten zoals gemalen kristal of gemalen hematiet van grijs-blauwe kleur. Daarna bracht men rouge aan op de wangen, waarvoor men bezinksel van wijn, purpurissum (rouge gemaakt op basis van de purperslak), stierenmest of krokodillenmest gebruikte. Veel auteurs nemen ook aan dat men rouge verkreeg uit rode oker, vermiljoen (cinnaber), rode kalk of uit de wortel van de anchusa[1]. Rond de ogen trok men een lijntje met zwarte as of saffraan en om de ogen nog meer in het licht te zetten, bracht men roet aan rond de ogen en op de wimpers. Als oogschaduw kon men gewoon wat meer roet of saffraan aanbrengen, maar men gebruikte ook de as van rozenblaadjes en gemalen azuriet[2]. Wat men met de wenkbrauwen deed, was vermoedelijk afhankelijk van de heersende mode, want soms epileerde men de wenkbrauwen en plakte men er achteraf valse op of liet men ze staan en vulde men het brugje tussen beide op. Of men lippenstift gebruikte, weten we niet, maar uit één van de epigrammen van Martialis blijkt wel dat men misschien een soort lippenbalsem kende. Veel auteurs nemen tegenwoordig aan dat men voor lippenstift dezelfde producten gebruikte als rouge. Over het gebruik van nagellak tasten we ook in het duister, maar het is mogelijk dat men henna gebruikte[3]. Tot slot kon je ook schoonheidsvlekjes aanbrengen, maar waaruit deze gemaakt waren, blijft een raadsel. Naast de echte make-up kende men ook schoonheidsmaskertjes, vooral tegen rimpels, uit broodpap, zalf van Poppaea of andere mengsels, maar vermoedelijk bracht men deze minder vaak aan. Schmink kon zowel gebaseerd zijn op één product, als op verschillende ingrediënten en kon dan ook sterk in prijs wisselen. Hierdoor was het voor iedereen bereikbaar en de prostituees gebruikten dan ook overvloedig goedkope schmink, terwijl de rijkere dames specialere en complexere schmink uitkozen. [1] L. Allason-Jones 1989: 130; R. Cappelli 1992: 122 (bijdrage van V.C.M. del Franco); A. Ciarallo en E. De Carolis 1999: 112; R. J. Forbes 1965: 42; P. Grimal 1962: 136; H. Michels 1994: 28; J.-N. Robert 1983: 160; P. Virgili 1989: 18 en J. Walgrave 1998: 72. [2] Vermoedelijk gebruikte men ook malachiet, een ander mineraal maar met een groene kleur. [3] R. J. Forbes 1965: 42. |
||||
|
|
||||
|
Antieke teksten |
|
|||
|
- Juvenalis, Satyricon VI.457-473: “Nil non permittit mulier sibi, turpe putat nil, cum uirides gemmas collo circumdedit et cum auribus extentis magnos commisit elenchos; intolerabilius nihil est quam femina diues. Intera foeda aspectu ridendaque multo pane tumet facies aut pinguia Poppaeana spirat, et hinc miseri uiscantur labra mariti: ad moechum lota ueniunt cute. Quando uideri uult formonsa domi? Moechis foliata parantur, his emitur quidquid graciles huc mittitis Indi. Tandem aperit uultum et tectoria prima reponit, incipit agnosci, atque illo lacte fouetur propter quod secum comites educit asellas exul Hyperboreum si dimittatur ad axem. Sed quae mutatis inducitur atque fouetur tot medicaminibus coctaeque siliginis offas accipit et madidae, facies dicetur an ulcus?” “Een vrouw weet niet van schaamte noch van grenzen wanneer ze zwaarbeladen snoeren draagt en pareltrossen die de oren rekken. Dan is ze rijk, maar tevens weerzinwekkend en tegelijk afzichtelijk en raar, omdat ze zich het aangezicht bewerkt met laagjes broodpap of met crème van ’t merk Poppaea, die blijft plakken rond de mond van haar arme man. Want waarom thuis nog mooi zijn, als ze toch strakjes uitgaat? Heus, haar vrijers ontmoet ze met een schoongepoetste huid en veel parfum, want al die geurigheidjes die India ons stuurt worden besteed aan overspel… Die broodpap duurt een tijdje, tot zij de eerste laag verwijdert en weer toonbaar wordt; met ezelinnenmelk – want zelfs in ballingschap naar de noordpool zou ze nooit zonder ezelinnen gaan! – dept ze elk plekje schoon. De vraag blijft wel of iets wat steeds met allerhande zalfjes en kleffe tarwepapjes wordt bedaan gezicht mag heten of een huidgezwel?”[1]
- Ovidius, Ars Amatoria III.209-235: “Non tamen expositas mensa deprendat amator pyxidas; ars faciem dissimulata iuuat. Quem non offendat toto faex inlita uultu, cum fluit in tepidos pondere lapsa sinus? Oesypa quid redolent, quamuis mittatur Athenis demptus ab inmundo uellere sucus ouis? Nec coram mixtas ceruae sumpsisse medullas nec coram dentes defricuisse probem. Ista dabunt formam, sed erunt deformia uisu, multaque, dum fiunt turpia, facta placent. Quae nunc nomen habent operosi signa Myronis, pondus iners quondam duraque massa fuit; anulus ut fiat, primo conliditur aurum; quas geritis uestis, sordida lana fuit; cum fieret, lapis asper erat; nunc, nobile signum, nuda Venus madidas exprimit imbre comas. Tu quoque dum coleris, nos te dormire putemus; aptius a summa conspiciere manu. Cur mihi nota tuo causa est candoris in ore? Claude forem thalami; quid rude prodis opus? Multa uiros nescire decet; pars maxima rerum offendat, si non interiora tegas. Aurea quae pendent ornato signa theatro, inspice quam tenuis brattea ligna tegat; sed neque ad illa licet popula, nisi facta, uenire, nec nisi summotis forma paranda uiris.” “Maar laat je minnaar op de tafel geen make-up doosjes ontdekken: schmink geeft je een mooi gezicht, als het zich kan verbergen. Wie huivert niet als rouge uitloopt dat je deed op je gezicht, en op je warme borsten omdat het smelt door zijn gewicht? En dan de geur van oesypum: het komt misschien wel uit Athene, maar is het sap dat wordt gewonnen uit het stinkende schaapsvel. Gebruik in zijn aanwezigheid liever ook geen hertenmerg, en poets ook je tanden niet als hij er bijstaat en het ziet: deze dingen geven schoonheid, maar zijn lelijk om te zien; veel stoot af als het gebeurt, maar is mooi na afloop. De beelden van de vlijtige Myron hebben nu een naam, maar ooit waren zij log gewicht en enkel lompe massa; om een ring te maken, moet je eerst het goud bewerken, en de kleding die je draagt, was eerst niets dan vuile wol. Toen ze ontstond, de naakte Venus, was ze niets dan ruwe steen; nu wringt zij als prachtig beeld het water uit haar vochtig haar. Laat ons maar denken dat je slaapt terwijl jij je verzorgt, en vertoon je aan ons pas als je klaar bent met jezelf. Waarom moet ik de oorzaak weten van jouw blank gelaat? Houd je slaapkamer gesloten en voorkom te snel verraad. Het is goed dat veel geheim blijft voor ons mannen: de meeste dingen geven aanstoot als je ze niet goed verbergt. Bekijk in het versierde theater de beelden stralen van het goud: je ziet een dunne laag van folie boven op het blanke hout. Maar het volk mag ze pas zien als ze klaar zijn en volmaakt; stuur jij dus eerst de mannen weg voordat je je verzorgen gaat.”[2]
- Plinius, Naturalis Historia XXVIII .84: “Fimo taurino malas rubescere aiunt, non ut crocodileam inlini melius sit; foveri frigida et ante et postea iubent.” “Beweerd wordt dat men van stierenmest rode wangen krijgt, zij het dat insmeren met krokodillenmest nog beter is. Men adviseert dan wel de wangen zowel voor als na de behandeling met koud water te wassen.”[3] |
||||
|
|
||||
|
Meer lezen? |
||||
|
Meer informatie omtrent recipiënten en lepeltjes is te vinden in: A. Devroe (2006) Vervlogen schoonheid. Schmink en parfum in de Romeinse periode. (onuitgegeven licentiaatsverhandeling) |
||||