Het
Kamp |
||||
|
Indeling leger | Legionairs | Belegeringstuigen | Tactieken |
||||
|
|
||||
|
Leger |
|
|||
|
Een klassiek Romeins gevecht was een open confrontatie, waarbij de tegenover elkaar opgestelde legers elkaar goed konden zien, tenzij het om een hinderlaag ging. Camouflage werd pas voor het eerst tijdens de Eerste Wereldoorlog toegepast. Men probeerde de vijand op alle mogelijke manieren te intimideren en indruk te maken. Psychologische oorlogsvoering was zeker niet onbekend. Een tactiek die hierbij werd gebruikt was het beschilderen van de schilden met felle kleuren en opvallende symbolen, het dragen van veren en helmkammen en het schreeuwen van strijdkreten net voor de clash. Bij het oprukken naar de vijand daarentegen werd een doodse stilte gehanteerd, wat zeer veel druk moet uitgeoefend hebben op het moreel van de andere zijde. Het uitmanoeuvreren van de tegenstander was een andere tactiek, waarbij de beweeglijke cavalerie en de lichte infanterie zich snel over de flanken verplaatsten om te trachten de vijandelijke linies te overvleugelen of de tegenstander in de rug aan te vallen. Uiteraard werden er ook boogschutters en slingeraars ingezet waar mogelijk om de vijandelijke linies van op ongeveer tweehonderd meter afstand al te kunnen beschieten en te bekogelen. Met behulp van katapulten kon men zelfs meer dan 300 m ver reiken. Deze machines hadden dikwijls een verwoestend effect op de vijand, ook psychologisch. Een zeer typerende Romeinse gevechtstechniek die in de loop van de republiek zijn intrede deed, was het gebruik van het pilum, de beruchte Romeinse werpspies. Voordien hanteerde de Romeinse soldaat als zware infanterist een lange lans en moest hij tot vlakbij de vijand oprukken om hem te trachten van dichtbij neer te steken. Door het verschijnen van de pila konden de linies van de opponenten al van op een grotere afstand (maximaal ca. 30 m) getroffen worden door het werpen van salvo’s honderden werpspiesen tegelijk. Vele tegenstanders in de eerste rangen werden rechtstreeks geraakt, of onrechtstreeks nadat de lange dunne ijzeren punt van het pilum zich eerst door het schild had geboord. Hierdoor werd de vijand van zijn stuk gebracht en sloeg de paniek toe. Diegenen die niet getroffen werden, maar waarvan de schilden wel door een of meer pila doorboord waren, ondervonden dat hun schilden niet langer hanteerbaar waren en wierpen ze vervolgens weg alvorens de strijd verder te zetten. Dit maakte hen echter zeer kwetsbaar tijdens het daarop volgende lijf-aan-lijf gevecht met de goed beschutte, zwaar gepantserde Romeinse legionair. Die had intussen zijn gevreesde kortzwaard of gladius hispaniensis getrokken om zijn opponent af te maken door hem indien mogelijk kort en krachtig uit te schakelen, door hem van achter zijn stevige grote schild (scutum) in de buik, in het aangezicht of in de hals te steken. Ook tegen de Macedonische falanxen bleek de combinatie pilum-gladius een zeer doeltreffende techniek. In de late oudheid, na de hervormingen van Gallienus, Diocletianus en Constantijn de Grote, werden een aantal oorlogstactieken en –technieken voor een stuk aangepast aan de noden van de tijd. Vele kenmerken van het Romeinse leger zoals we dit kenden in de 1ste tot de 3de eeuw n.C. bleven echter ook in de late keizertijd van kracht. Er werd bijvoorbeeld nog steeds een beroep gedaan op hulptroepen, waaronder veel ruiters, boogschutters en slingeraars en ook belegeringen kwamen nog voor. Legioenen werden nu wel talrijker, maar veel kleiner. Er werden stilaan steeds grotere aantallen, maar dikwijls minder zwaar gepantserde Germanen en andere vreemde krijgers in het leger opgenomen. Dit neemt niet weg dat de elitetroepen en een groot deel van de legioensoldaten zeker nog harnassen en helmen droegen om zware confrontaties aan te gaan. In bepaalde gevallen stapte men meer en meer over naar minder grootschalige operaties in guerrillatactiek om kleinere groepjes invallers of plunderaars aan te kunnen pakken. Ook het verdedigingssysteem onderging wijzigingen, waarbij men stilaan (uit noodzaak) overging van de offensieve verdediging van de vroege en midden keizertijd naar een meer defensieve politiek. Opvallend hierbij was het ontstaan van zogenaamde mobiele reservelegers, de comitatenses, die in de steden in het hinterland klaar werden gehouden om bij een invasie de bedreigde zones te gaan verdedigen. Daarnaast werden nog steeds grenstroepen of limitanei ondergebracht in de verschillende forten aan de limes. Hun versterkingen leken nu meer op echte vestingen, voorzien van slechts één toegangspoort, met hogere en dikkere muren met uitspringende bastions. Deze grenseenheden hadden tot taak de vijand zo lang mogelijk op te houden totdat de centrale reservetroepen de indringers konden onderscheppen en hen eventueel terug over de grenzen konden jagen of definitief uit konden schakelen. Er werden in deze periode zeker ook nog grote traditionele veldslagen uitgevochten met meer dan tienduizend soldaten aan beide zijden. Opvallend waren hierbij de grote hoeveelheden projectielen die naar de vijand werden geworpen. Zo droegen heel wat Romeinse soldaten, van wie de uitrusting intussen een hele evolutie had ondergaan, korte, met lood verzwaarde plumbata aan de binnenkant van hun schild mee. |
||||
|
|
|
|||
|
Marine |
||||
|
De Romeinse marine paste op zee bepaalde tactieken toe die haar geholpen hebben de Middellandse Zee tot mare nostrum om te dopen. Rome was erin geslaagd de machtige zeemogendheid Carthago te verslaan door tijdens de Eerste Punische oorlog op de proppen te komen met de corvus of enterbrug. Door dit element aan hun galeien toe te voegen, konden de geduchte legioensoldaten, die op het land nauwelijks te verslaan waren, ook op het dek van oorlogsschepen efficiënt in de strijd geworpen worden. Ook artillerie en de ramtechniek deden hier hun vernietigende werk. Hoewel zeeroverij altijd een probleem bleef voor de Romeinse zeemacht, werden de piraten bij wijlen zo goed als volledig van de zeekaart geveegd door toedoen van capabele generaals zoals Pompeius de Grote. Agrippa op zijn beurt was Augustus’ beste admiraal die ervoor zorgde dat de eerste Romeinse keizer zijn belangrijkste rivalen op zee, Marcus Antonius en Sextus Pompeius, overwon. Een speciale gevechtstechniek op zee was de zogenaamde zwermtechniek, waarbij verschillende kleinere oorlogsbodems één grote vijandelijke galei van verschillende zijden tegelijk aanvielen. De Romeinse admiraals probeerden ook hun opponenten stuurloos te maken door rakelings langs de tegenstander te varen en de roeiriemen te versplinteren. Ook wigvormige formaties werden aangenomen om te trachten de vijandelijke linies te doorbreken, snel rechtsomkeer te maken en vervolgens de blootgestelde flanken te rammen. |
||||
|
Vreedzame tactieken |
||||
|
We mogen evenwel niet vergeten dat Rome ook vreedzame tactieken toepaste om de oppositie aan zijn kant te krijgen, bijvoorbeeld door diplomatie en onderhandelingen of het uitwisselen van gijzelaars. In andere gevallen stelden de Romeinen vazalkoningen aan die hen gunstig gezind waren of kochten zij de vrede af in de vorm van grote sommen geld of kilo’s edelmetaal. Om informatie in te winnen over de tegenstander zond het Romeinse leger ook spionnen uit of ondervroeg het reizigers die uit vijandelijk gebied kwamen. In die zin kunnen we min of meer spreken van een inlichtingendienst. |
||||